Zelfbeeld

Wie een ander gelukkig wil zien wenst dat die ander een positief zelfbeeld moge hebben. Daarmee bedoelt men dat die ander een voldoende zelfwaardegevoel zou moeten hebben om zich met moed en vertrouwen toe te leggen op de studie, het werk, de eigen gezondheid, de sociale omgang. Een goed gevoel vari zelfwaarde motiveert tot adequaat handelen. Daar gaat men van uit.

Een leraar probeert zijn leerlingen een goed zelfwaardegevoel te geven door hen te waarderen als mens, en door hen te stimuleren om hun talenten te gebruiken. Ook waar zij fouten maken blijft hij benadrukken dat de fouten niets af doen van hun eigenwaarde. Ja, fouten zijn de belangrijkste leergegevens omdat zij uitdagen tot het verbeteren van de vaardigheid of het inzicht. Wie een fout of een onkunde onder ogen ziet kan daardoor het vertrouwen verwerven dat hij nu weet hoe het beter kan. En zodoende schaadt het corrigeren van fouten geenszins het zelfwaardegevoel. Voorwaarde is wel dat de leerling zich in deze kwetsbare situatie, gerespecteerd voelt, dat een bepaald gedrag of inzicht als fout wordt aangewezen, maar dat hij als mens niet fout is.
Al kan het zelfwaardegevoel van buitenaf gestimuleerd worden, het blijft een innerlijk gebeuren, een intrapsychische aangelegenheid. De ene heeft een minderwaardigheidsgevoel, de andere heeft een meerderwaardigheidsgevoel, en nog een andere heeft wat men een juist zelfwaardegevoel noemt. Het hangt af van hoe een mens omgaat met zichzelf. En de wijze waarop iemand omgaat met zichzelf wordt veelal onbewust bepaald door een hefe reeks van voorafqaandelijke ervaringen. Wat niet wil zeggen dat men er niet zélf bewust invloed kan op hebben. Hoe dit kan willen wij hierbij onderzoeken.

Een eerste stap is het verwerven van een juiste kijk op zichzelf. Daarmee wordt bedoeld dat ons zelfbeeld zoveel mogelijk overeenstemt met het beeld dat een welwillend-kritische buitenstaander zich van ons maakt. Om een juist zelfbeeld te verwerven moéten wij in de spiegel kijken van andermans oog. Maar daarnaast zien wij ook dingen in onszelf die voor een buitenstaander onzichtbaar zijn, waarover deze zich geen beeld. kan vormen. Deze voor de buitenstaander verborgen facetten moeten wij toch durven onder ogen zien zoals een buitenstaander dat waarschijnlijk zou bekijken als hij er toegang toe zou krijgen. Het zelfbeeld is dus hoe dan ook gerelateerd aan de buitenwereld.

Maar het zelfbeeld is maar een eerste stap van het omgaan met zichzelf. Vanuit een economie van concepten onderscheiden wij bij het omgaan met zichzelf dezelfde stappen als bij het omgaan met elkaar (1). Zoals bij de bejegening van de ander nà de beeldvorming het gevoel ontstaat, zo wordt door het zelfbeeld een zelfgevoel teweeggebracht in het gemoed. Wij voelen er ons gelukkig of ongelukkig bij. Wanneer wij ons in de spiegel bekijken voelen wij ons blij met het gezicht, of verwonderd, verstoord, geïrriteerd, gelaten. Wij merken de rimpels, de vermoeide walletjes onder de ogen, of de frisse, door de zon getaande huid. Het gezicht raakt ons op aangename of onaangename wijze. In een eerste neiging wensen wij ons naar de duivel, of prijzen wij ons in de wolken.

Gaan we op ernstige wijze om met onszelf, dan wikken en wegen wij af in welke mate onze gevoelsneigingen door ons hart beaamd worden. De zelfevaluatie zet ons zelfbeeld en ons zelfgevoel af tegen de standaards en de waarden die wij onszelf voorhouden. Een en ander hangt af van hoe hoog wij de lat leggen. De ene leerling vindt een rapport met 6 op 10 beneden zijn maat, terwijl de andere leerling dit ruim voldoende vindt. Afhankelijk van de standaards die wij zelf aanleggen zullen wij wat wij doen en wie wij zijn beoordelen als hebbende onvoldoende. voldoende of bovenmaatse waarde. En al naargelang deze waardebeoordeling negatief of positief uitvalt opteren wij wel of niet tot een zelfsturing in de gewenste richting. Dit is het meest kritische moment in de bejegening van zichzelf. Geloven wij in de haalbaarheid van onze innerlijke optie? Hopen wij dat het kan lukken? Vertrouwen wij op onze middelen? Een zelfsturing waar wij niet volledig achter staan mist alle stuurkracht. Is dit laatste het geval, dan staan wij voor een innerlijke impasse waar wij enkel doorheen komen door de kwestie met onszelf uit te vechten.

In de kringloop van de bejegening volgt nu de stap naar de zelfbeïnloeding. Deze kan best beschreven worden met het concept van de axenroos. Wij stellen onszelf een taak die wij zelf ook willen uitvoeren: Wij besteden de zorg aan onszelf waar wij zelf ook van genieten. En wij waarderen waar wij zelf fier op mogen zijn. Wij begrenzen ons in onze activiteit waar nodig. Wij luisteren naar onze gezonde zelfkritiek. Wij geven onszelf onze tekortkomingen toe. Wij aanvaarden dat wij onszelf maar ten dele kennen.

Oefening baart kunst. Door aan onszelf te werken komen wij het effect ervan te weten. Nu kunnen wij ons een beeld vormen van wat onze zelfvorming als resultaat oplevert. Als onze zelfsturing tot een goed resultaat heeft geleid, dan voelen wij ons voldaan. En dari oordeelt het hart dat wij goed zijn omgegaan met onszelf. En hier situeert zich uiteindelijk het zelfwaardegevoel. Het ware gevoel van ielfwaarde is dus de resultante van een innerlijk proces waarbij verschillende stappen gezet moeten worden.

En wat als de eindevaluatie negatief uitvalt? Dan moeten wij de kringloop opnieuw doorlopen en onszelf bijsturen. Wij leren te leren van mislukkingen, met moed en deemoed, in geloof en vertrouwen.

Het zelfbeeld is dus een belangrijke. maar slechts een eerste stap in het omgaan met zichzelf. Wie· anderen wil stimuleren tot een goed zelfwaardegevoel hebbe aandacht voor de verschillende stappen van het bejegenen van zichzelf.

(1) Ferdinand CUVELIER, Omgaan met zichzelf en met elkaar, Leuven, Garant, 1998