Sören KIERKEGAARD kan beschouwd worden als de grondlegger van wat later dieptepsychologie zal heten. Tijdens zijn dagelijkse wandelingen door Kopenhagen sprak hij met talloze bekenden en onbekenden. Hij luisterde en ontwikkelde, zoals Sokrates, een soort vragen waardoor zijn kliënten tot zelfkonfrontatie werden gebracht. En daarbij spaarde hij zichzelf niet (2).
Honderdvijftig jaar geleden promoveerde KIERKEGAARD (1841) op ‘Het begrip ironie’, zich daarbij vooral inspirerend op Sokrates. Ironie* is de kunst om de eigen kwaliteiten te relativeren en om op speels-intuïtieve wijze door te dringen tot de diepere vertwijfeling van de mens. Als een spion in dienst van het hogere boort hij doorheen de oppervlakte-lagen van het gesprek naar de onderliggende réservoirs van haat en liefde. Zijn antropologie, of leer over de mens, is samen te vatten als een opgave tot zelfwording*, waarbij zelfwording gezien wordt als een gestaag proces van verandering. Veranderen dus om zichzelf te zijn. En daar is een simpel woord voor, nl. worden, d.w.z. zich doorheen alle veranderingen samenhouden, zich bij elkaar voegen, zich tot één geheel integreren. Maar wat moeten we dan verstaan onder het zelf dat men wordende is? Wij willen dit achterhalen aan de hand van vier stappen die wij in dit zelfwordingsproces kunnen onderkennen.
1 – Vooreerst is er het feitelijke* zelf waarop wij telkens weer stoten als op datgene wat ons thans ‘voorgeworpen’ wordt, het gegevene feit dat wij als kind geboren zijn, dat wij door milieu en erfelijkheid bepaald zijn, dat wij een verleden achter ons’hebben, en dat wij de uitloper zijn van een onnaspeurbaar scheppingsverhaal. De feitelijkheid is het gedane en gebeurde dat geen keer neemt. De feitelijkheid is ook het wondere mysterie dat doorheen ons te voorschijn wil komen.
Onze zelfperceptie klopt niet altijd met ons feitelijke zelf. Als ‘ik’ naar ‘mezelf’ kijk, dan moet dat ‘ik’ zich ‘ontschubben’ uit de zelf-vervreemding om zijn ware ‘mijzelf’ op het spoor te komen. Daarom is hier een grote opmerkzaamheid* nodig, zegt KIERKEGAARD~. En dan komt hij als vragende detective weer in aktie. Durven wij wel onze ogen open trekken en onszelf in het gelaat zien, met onze zwakten én onze krachten? Of gaan we liever doodliggen, zoals de lagere diersoorten dat doen? Neen, de mens moet zich telkens weer ‘resigneren’, zich weer terugkoppelen op zijn feitelijkheid, aansluiting zoeken bij wat er als ‘zelf’ gegeven is.
2 – Wie zijn feitelijke zelf durft waar te nemen, wordt zich bewust van eigen ik en eigen situatie. Hier past de term zelf-bewustzijn* als een bewustwording van eigen individualiteit, van eigen geaardheid. De mens verwondert zich over wat hij zelf is. Hij geeft zich over aan de feitelijkheid van het mens-zijn dat hij in zich ontdekt. De mens komt tot overgave* aan zichzelf. Met ons eigen woordgebruik zeggen wij dat de mens zich toegankelijk stelt voor wat hij zelf is, dat hij zich op zichzelf betrekt, dat hij kontakt opneemt met zichzelf.
In KIERKEGAARD’s antropologie staat de ‘Samensaetning’ centraal, letterlijk te vertalen als ‘samen-stelling’. De mens zal samenvallen met zichzelf, zichzelf samenstellen, de tegenstellingen overwinnen, zich met zichzelf uiteenzetten, het konfronterende integreren, zichzelf niet ontzien. Als de mens in zichzelf iets onaangenaams ontdekt, of iets wonderlijks, dan zal hij dit ‘con-stateren’ in die diepere zin van het woord. Hij zal het tot zich nemen en het kom poneren tot zijn eigen lied. Als de mens opmerkzaam onder ogen durft te zien al wat hij is, dan zal hij dat op zich laten inwerken, er bewust van worden, er zich aan overgeven en het samen-bundelen tot zijn eigen kompositie.
3 – Vanuit deze bewustwording ontdekt de mens dat hij zich van zichzelf uit voor een opgave* gesteld ziet.Als hij zich goed en wel ‘samenstelt’, dan overschrijdt de mens eigenlijk voortdurend zijn gegeven feitelijkheid. Het is door dat kiezen als opgave van wat hij ten gronde toch al is, dat de mens kan uitstijgen boven zijn eigenste gegevenheid. Hierin openbaart zich de ‘geestrijkheid’ van de mens. In de lijn van zijn wordende zijn ontwerpt de mens zijn verdere bestaan, ten goede of ten kwade. Hier beseft de mens dat hij met zijn leven tot meer bestemd is dan tot een dobberen tussen pech en geluk.
4 – Vanuit deze optie kan de mens zich tans ’toevertrouwen’ aan het waagstuk van het bestaan. Hij komt tot zelfverwerkelijking*. Hier past de term zelfbewustzijn* in de aktieve betekenis van: op bewust en vrij gekozen wijze het eigen zelf zijn, het ‘bestaan’. De zelfwording is pas als geheel afgerond als de mens zich existentiëel verwerkelijkt, d.w.z. als hij lijfelijk-konkreet tot uitdrukking brengt wat zijn overtuiging hem ingeeft. Het blijkt zijn opdracht om deze vrijheid te blijven bevechten op de beperkingen die hem ‘van onderen op’ ook feitelijk eigen zijn en om deze vrijheid van zijn en handelen hiernu tegenwoordig te stellen. De mens komt pas tot zelf-zijn waar hij zijn eige11 mogelijkheden vertegenwoordigt.
Deze kreatieve zelfwording is in feite ook een ’terugkeer op de oorsprong’. Het is eenbevrijding van de geestloosheid waarmee de mens zichzelf kan ontvluchten of waardoor de mens zichzelf inperkt en onderdrukt. Door het gestage en moeizame proces van zelf-bevrijding komt tot transparantie* wat de mens in zich heeft en is. Hij wordt zichzelf doorzichtig. Hij is ook voor de medemens helder. Het wordt allemaal zonneklaar. Tenminste als de mens in zijn groeiproces dwars doorheen de duisternis durft gaan.
De duisternis is de tweeslachtigheid die de mens in zichzelf nog niet uitgevochten en beslecht heeft. Deze tweeslachtigheid leidt tot ‘ver-twij-feling’, term waarin ’twee’ verscholen zit. Uiteindelijk wordt de vertwijfeling opgeheven door de keuze van het daadwerkelijke zich present-stellen. Hierin wordt duidelijk wat “worden” is: het sluit het nemen van risiko’s in, het is het wagen van het waàgstuk, het overwinnen van dubbelheid.
Daarom is bij KIERKEGAARD ‘innerlijkheid’ ook synoniem met eenvoud, waardoor het samenvallen met zichzelf bedoeld wordt.
Wij kunnen samenvatten:
1 – het “ik” ontmoet “mij zelf” als een feitelijk gegeven,
2 – waar ik me bewust voor openstel,
3 – en van waaruit ik bewust de keuze maak
4 – om zélf te zijn (te be-staan).
Zo word ik bewust wat ik ten gronde ben. En zo stel ik in alle eenvoud de oorsponkelijkheid samen van wat ik in oorsprong ben. Of zoals KIERKEGAARD het zelf verwoordt: “Het individu dat met zichzelf durft om te gaan zal zwanger worden van zichzelf en zo zichzelf voortbrengen” (1).
Door een intense inleving in zijn medemens kon KIERKEGAARD de diepte-dimensie van de zelfwording ontsluiten. Doorheen zijn scherpzinnige analyzes van psychopatologie kwam hij op het spoor van de dynamiek van het gezonde groeiproces. Van buitenuit gezien en in een notedop samengevat lijkt het allemaal simpel en binnen handbereik. Maar je moet maar eventjes in je eigèn vertwijfeling en dubbelhartigheid duiken om de gigantische opgave te beseffen waartoe KIERKEGAARD ons blijft uitnodigen.
(1) Sören KIERKEGAARD, Aforismen, verzameld en vertaald door W.R. SCHOLTENS, Baarn, Ten Have, 1983, nr. 79.
(2) Wim R. SCHOLTENS, Alle gekheid op een stokje; Kierkegaard als psycholoog, Baarn, Ten Have, 1979.
