Lichamelijk contact

Bij een ziekbed staat men vaak onthand. Ik stond zo eens aan het voeteneind van het bed van een doodzieke man. Door een spontane beweging geleid laat ik mijn handen rusten op zijn enkels. Verder alleen maar stilte. Na een poosje wordt zijn ademhaling dieper, hij opent de ogen, een zucht van verlichting doorstroomt zijn hele lichaam. Een huisarts vertelt mij hoe hij zijn hand vol aanwezigheid legt op de dij van een zieke, totaal verkrampte vrouw; dit was de plotselinge doorbraak: voor het eerst vertelt de vrouw de prangende benauwenis die ze reeds maanden had opgekropt.

Lichamelijk contact doet leven, opent, deblokkeert. Door gemis aan lichamelijk contact kan een kind sterven, of kunnen echtgenoten van mekaar vervreemden. Wat is lijfelijk contact dan toch? Het lijkt zo makkelijk uit te wisselen, en het roept zoveel schroom op, soms spanning, onwennigheid, taboe. In momenten van kommer, pijn of eenzaamheid snakt men naar een hand, een arm, een omhelzing. Onze omgeving zorgt er evenwel voor alle fysieke kon takt strikt te reglementeren door vaste rituelen : hand-hand, mond-wang, arm-schouder, geen zijwegen bewandelen. Zoeken we een grondig antwoord, dan moeten we ook te rade gaan bij het neurofysiologisch proces dat zich afspeelt als ik me instel op contact. Door de bewuste instelling op contact ontstaat er een zenuwactiviteit in de middelste hersenstam (mesencefalon). Van daaruit wordt de activiteit gestimuleerd van de gammaneuronen

die de globale motoriek voorbereiden en uitbalanceren. Deze zenuwen staan in voorde graad van wakkerheid van ons hele bewegingsstelsel. Ze reguleren de tonus en bewerken, bij voldoende contact-aandacht, een juistere spankracht (eutonie). Ook al heb ik mijn handpalm niet geopend of uitgestrekt, ook al bleef ik totaal bewegingloos, mijn mentale instelling heeft- via deze gamma-neuronen- reeds alle spieren en spiertjes opgewarmd en in staat van alertheid gebracht. Ik kan in mijn handpalm een lichte tinteling gewaarworden. ‘Mijn vingers jeuken’. Apparaten kunnen de toename van ‘achtergrondactiviteit’ van deze neuronen registreren (1 ).

Alleen al de mentale toewending naar contactname brengt me innerlijk in beweging, raakt me, ontroert me, als ik er me tenminste psychisch toegankelijk voor maak, als ik er me laat door “raken”. Wil ik de beweging nu ook effectief uitvoeren, dan worden de alfa-neuronen geactiveerd, die de spieren in beweging brengen. Als ik van iemand anders een lijfelijk contact krijg, dan gebeurt iets gelijkaardigs. Legt mijn vrouw met aandacht haar hand op mijn rug, mijn arm, mijn knie, en stel ik me psychisch toegankelijk voor dit contact; dan word ik ook beter mijn rug of arm of knie gewaar. Hij wordt aanweziger, klaarder, levendiger. En vanuit deze plek doorstroomt een gevoel van presentie mijn hele lijf. Door de door dit contact op gang gebrachte microscopische tonusregulatie wordt mijn hele lijf gemobiliseerd. Mijn adem gaat dieper door, Mijn geest wordt gestimuleerd. Mijn organisme stelt zich beter in, ordent zich. Als het ziek is, kan het zich weer beter regenereren. Ik word tot leven gewekt.

Bij het aandachtig, volhandig en respectvol aanraken van de ander gebeuren er – zoals wij bij kontakt-oefeningen vaak konden observeren – twee merkwaardige dingen: én de aangeraakte komt meer in contact met zichzelf, én de aanrakende komt meer in kon takt met zichzelf. Dit onthult ons wat de kern van relatie is: ik kan de ander niet erkennen zonder mezelf te erkennen, ik kan de ander niet in contact brengen met zichzelf als ik niet in kon- takt ben met mezelf, ik kan de ander niet ordenen als ik niet ook zelf geordend ben. Uiteindelijk bejegent men de ander zoals men zichzelf bejegent. Als een refrein klinkt het door de christelijke schriftuur: ‘Heb de ander lief zoals jezelf’ (2), wat we, ontdaan van de oudtestamentische moraal ervan, kunnen begrijpen als de verwoording van een alomvattende wetmatigheid die zegt: “Je kan de ander pas in contact brengen met zichzelf als je aan de ander een relatie aanbiedt vanuit een in contact-zijn met jezelf’, of nog: ‘De ander tot leven wekken en present aan zichzelf zijn zijn twee effecten die enkel gelijktijdig ontstaan door een wederkerige relatie’. Hetgeen ook fysiek gebeurt bij een lijfelijk contact.

Deze contact-wakkerheid kan men “oefenen”, ook bij andere gelegenheden dan bij persoonscontact, b.v. door(zoals bij de eutonie-beoefening (3)) gewoon op de grond te liggen en zijn aandacht te richten op vragen als: ‘Waar heb ik contact?’  Hoe ervaar ik dat precies? Hoe ziet het er uit? Is er verschil tussen links en rechts? Hoe kan ik het beschrijven? Geef ik er me aan over? Stel ik er mij voor open? Verandert de contactkwaliteit?’ Soortgelijke oefeningen kan men ook zittend, wandelend, stappend bedenken. Of men kan aandachtig een appel of een ander voorwerp in de hand nemen en de hoedanigheid ervan tot zich laten komen. Of de wind op zijn poriën laten inwerken.

Bij het staan, zitten, stappen, kunnen we ons steeds afvragen of we contact hebben met onze eigen grond. De grond brengt ons in aanraking met de algemeen kosmische wet van de zwaartekracht, en met de wijze waarop we de tegenkrachten ontwikkelen om de zwaartekracht te overwinnen, en te staan, te springen, te bewegen. Dit zoeken naar contact met de grond heeft niets te maken met het bio energetisch ‘aarden (4) waarbij men, zonder contact-aandacht, in een onnatuurlijke houding, bij zichzelf vibraties zoekt op te wekken; een louter kunstmatig opgewekte tremor zorgt voor een even kunstmatige presentie bij zichzelf. Zich toeleggen op de kwaliteit van lichamelijk contact is uiteraard belangrijk bij beroepen en in situaties waarbij men lichamelijk veel in aanraking is met anderen: artsen, verpleegkundigen, kinderverzorgers, kinesitherapeuten, masseurs, estheticiennes. De contactkwaliteit is o.i. het voornaamste facet van de seksuele toenadering, iets wat door de zgn. streel-oefeningen van de klassieke seksuele therapie volgens MASTERS en JOHNSON totaal over ’t hoofd wordt gezien (5). leder die zich toelegt op contact kan het verschil uitproberen tussen (a) een puur aanwezig handcontact dat de ander de rust geeft om tot zichzelf te komen, (b) een handcontact dat de ledematen van de partner bundelt, lichtjes samendrukt, hun plaats geeft; en andere behandelingen die minder contact-kwaliteit hebben zoals (c) een expressieve, indrukken doorgevende hand, (d) een exploratieve, tot zich nemende hand, (e) een erotiserend, prikkelend, lichtjes zwevend contact, (f) een diagnostisch palperende hand, (g) een masserende of knedende hand. leder die van hieruit ervaart wat er aan de hand is met lijfelijk knakt, mag het ons laten weten.

(1) J.E. MEYER, Konzentrative Entspannungsübungen nach Eisa GINDLER und ihre Grundlagen, Zellschr. Psychother. u. Medizin. Psychol., 11 (1961) 116-127
(2) Leviticus 19.18; Evangelie Matteüs 19.19; 22.39 e.a,
(3) M. KJELLRUP, Bewust met Je lichaam leven; spanningen reguleren dooreutonle, Ankertje, 1981, 96 blz., 136 BF; een meer terapeutische en uilgezuiverde vorm van eutonie vindt men bij H. SCHAR! NG, beschreven in A en M.L. STANGL, Das Entspannungsprogramm, Düsseldorf, Econ, 1974, pp. 83-138
(4) A LOWEN, Blo-energetica, Amsterdam, Bert Bakker, 1980. pp. 155·159
(5) W.H. MASTERS en V.E. JOHNSON, Sexuele stoornissen bij man en vrouw, Amsterdam, H. J. Paris, 1970, pp. 86-90