Door de elders beschreven erkennende hoedanigheid van de aanraking is deze allereerst een moment van tussenmenselijke ontmoeting. De ander wordt er werkelijk geraakt en daardoor erkend. Men rust in het weldadige besef de ander werkelijk te kunnen vatten in diens lichamelijke tegenwoordigheid.
Erotisch aanraken
Wezenlijk anders gaat het er aan toe in de erotische aanraking. Hier verwijlt men meer dan ooit in het reikhalzend verlangen naar het nooit bereikbare. De troost van de aanraking wordt hier uitgehold door het scherpe besef van het niet grijpbare. Aanraken blijft een raken aan de grens, er overheen willen grijpen en dit onmogelijk kunnen. Ook niet willen. Want de pathetische kracht van de eros groeit vanuit de aantrekkelijkheid van het onbereikbare. Eros wil grensoverschrijdend zijn, maar zonder dat de grens verdwijnt. Het zwaard staat als grens tussen Tristan en Isolde en kan juist door zijn onverbiddelijkheid het verlangen volop ‘verlangen’ laten zijn.
De neurofysiologische activiteit die zich bij het toenaderen, raken en strelen kenmerkt door tonusregulatie en toename van psychomotorische alertheid, brengt daarnaast vooral ook rust, ingehoudenheid en herstel. De sympatische zenuwactiviteit die instaat voor bloedstroom, beademing en breedvoerig handelen (volgens de trits: Vrezen, Vechten, Vluchten) wordt tot rust gebracht ten bate van een toenemende parasympatische zenuw activiteit die instaat voor herstel, behoud en voortplanting en die daartoe het spijsverteringsstelsel en het seksuele stelsel activeert.
Dit neurofysiologisch om kippen van sympathicus naar parasympaticus vindt zijn psychische vertaling in een omkeren van de archetypisch mannelijke handelingsmodus naar de archetypisch vrouwelijke belevingsmodus. Waar bij het mannelijke ‘handelen’ doelgerichtheid, ambitie, rationaliteit, efficiency, productie, kracht uit sterkte vooraan staan, daar is het vrouwelijke ‘beleven’ gericht op loslaten, laten groeien, laten rijpen, verwondering, geboorte, kracht uit zwakte. De erotische aanraking wordt tederheid waar ze de geliefde aanraakt met bezorgd ontzag voor diens kwetsbaarheid en zwakte. De partner komt te voorschijn als een door-mij-geliefde en is daarin broos en kwetsbaar, onhandig, ontdaan, schuchter een eerste stap zettend vanuit het er-nog-niet-zijn naar het beginnende zijn. (1 p. 233). De geliefde blijft in wezen nog geheim, ongrijpbaar, onuitgesproken.
Elke erotische aanraking is in wezen ook een profanatie van het geheim. De geliefde ontbloot zich, laat zich aanraken, exhibitioneert zich, maar onttrekt zich met schaamte aan een volledige omarming. Want de liefde laat zich niet overmeesteren. De minnende die de beminde erotisch aanraakt en streelt, is er op gericht de geliefde te voelen en te begrijpen, maar is zich nog scherper bewust van een schroom die zegt de geliefde niet te mogen ontmaskeren. De erotische ontbloting is in wezen een toedekking. Het heeft iets van het religieus numineuze, het fascinerend-aantrekkelijke waarvoor men zich bij benadering de ogen moet sluiten. De hand of de mond tast naar het onthulbare dat toch niet onthuld zal worden, en streelt het tastbare dat toch nooit gegrepen zal worden. De erotische aanraking tast daardoor altijd naar iets eeuwig maagdelijks, iets aanwezig-afwezig, iets zintuiglijks aanwezig dat zich laat gewaarworden als ultra-sensueel.De klinische ervaring leert ons dat partners die geen erotische gevoeligheid meer hebben, meestal symboliseringsarm zijn. De erotische of erotiserende aanraking gaat verder dan een fenomenologisch aftasten. Ze bereikt de orde van het symboliseren waardoor datgene wat ervaren wordt verwijst naar het onervaarbare van waaruit het ervarene zijn zin en betekenis put (HEIDEGGER). Het is gericht op datgene wat wel voorvoeld maar nooit volledig ingevoeld kan worden. Het heeft iets kunstzinnigs in de mate dat de erotische aanraking in zijn erkennen van de geliefde deze geliefde nooit wil herleiden tot datgene wat aangeraakt kan worden. De erotische aanraking raakt aan datgene wat zich aan elke vaste omhelzing onttrekt maar wat zich bij elk aanraken en strelen toch wel echt laat gewaarworden.
Het oefenen van het symboliseringsgevoel is een moeilijke opgave. Meestal gaat dit om langs een aanscherpen van het besef voor de ongrijpbaarheid van levende personen, het deelhebben aan een levensgroei die we zelf niet in de hand hebben, het mysterie van een geboorte of een sterven. Bij de erotische aanraking en streling verliest de eigengereidheid van het Ego zijn trots. Het Ego wordt zelfs enigszins vertederd om zijn eigen verlies (1 p. 248). De minnend-strelemde verliest zichzelf in een intens verlangen dat nooit zijn doel bereikt en waarop een aforisme van F. NIETZSCHE van toepassing is dat zegt: ‘Wat groot is in de mens is dat hij een brug en geen doel is’. Elk orgasme is in wezen een reikhalzend verlangen dat nooit een vooraf vooropgestelde top kan bereiken. Want dan zou het een ‘maken’ worden waardoor de sympathische aktiviteit weer de bovenhand krijgt en de erotische prikkeling verdwijnt. In deze zin kan de erotische streling gezien worden als de bij uitstek religieuze instelling van de mens die zichzelf niet wil ‘maken’ maar gericht is op het raken van de concrete andere mens voor zover deze in het aangeraakt worden verwijst naar het onraakbare dat alles grondt.
Seksueel aanraken
Bij het seksueel aanraken kunnen zowel de principes van de erkennende aanraking als deze van de erotische aanraking meespelen. In de MASTERS and JOHNSON-therapie zal men de disfunctionerende cliënten na de erogene zones ook de geslachtszones zelf laten strelen. De oefeningen hieromtrent kunnen o.i. best geïnspireerd worden door de erkennende aanraking zoals elders beschreven. Hand of mond of de eigen geslachtsdelen kunnen aandachtig explorerend nagaan waar men de tactiele aanraking met de seksuele organen van de partner ervaart en hoe men kittelaar en schede of roede gewaarwordt. De erotische beroering van de seksuele organen is gekenmerkt door een zekere schroomvolle Ingehoudenheid die het orgasme eerder uitstelt dan versnelt. Vooral de te vlug ejaculerende mannen dienen zich te oefenen in een niet op klaarkomen gericht erotisch contact. Technische kunstgreepjes als het zacht laten dichtknijpen onder de eikel kunnen hierbij helpen, op voorwaarde dat ze als fundament een zekere symboliserende gevoeligheid hebben waardoor de man een verlangen laat groeien om in de schoot van zijn vrouw een vrouw-zijn te raken dat in wezen nog verder ligt dan liet raakbare, of om – zoals de Kamasutra leert – in de schoot van de vrouw een kracht op te zuigen die zijn mannelijk wezen nodig heeft om als geïntegreerd man te leven. Eenzelfde symboliserings-gevoeligheid laat door de vrouw de penetratie van de man ervaren als een wekken van haar diepere Animus. De erotisch-seksuele wellust die geleidelijkaan aanzwelt onder impuls van de toegenomen parasympatische activiteit vindt zijn hoogste bevrediging in een ontdekkend genieten van elkaars overgave aan iets dat beiden overstijgt. De vrijenden zijn er over verbaasd en ontdaan. Ze zijn soms beschaamd omdat ze dachten hun partner een orgasme te kunnen klaarmaken terwijl ze nu bij elke coïtus opnieuw merken dat enkel een overgave aan het onbeheersbare mogelijk was.
Deze seksuele wellust heeft niets vandoen met het louter op zintuiglijk genot gerichte handelen. Dit genot zoeken keert zich af van de ware erotiek, laat geen symbolisering ontdaan vanuit het respect voor de alteriteit van de ander, maar is integendeel gestuwd vanuit een zelfbevredigend zoeken van de prikkeling van de eigen geslachtsorganen, en is als dusdanig eerder te karakteriseren als een stimulus-honger.
In de erotisch-seksuele gemeenschap raakt elk van de vrijenden een bij uitstek geïndividualiseerde persoon in zijn meest konkrete presentie. Deze ontmoeting is niet uitzegbaar, niet aan derden mededeelbaar. Ze is niet geschikt om publiekelijk te tonen, noch om er universele theorieën over op te stellen. Vandaar haar intieme geheim en de exclusiviteit die de meeste minnaars er onderling willen aan geven. Ze heeft iets lichamelijks-religieus voor zoverre beiden bij elkaar iets raken wat hen overstijgt maar wat tevens hun samenzijn materialiseert tot een metafysische ontmoeting van het meest concreet wezenlijke dat er is.
Ideaal- en normloos
Een beschrijving van de erotisch-seksuele wellust in romans of boek en over erotiek wekt vaak bij onervaren en de indruk dat het er bij een orgasme gaat om iets geweldigs, iets waarbij men bijna bewusteloos moet vallen van genot. Het wordt een ideaal, een norm die mythisch en fantasmatisch geladen wordt. Hanteert men dit mytische fantasma als kriterium van de geslaagde gemeenschap, dan wordt men keer op keer teleurgesteld. De ervaring van de erotisch-seksuele wellust is immers in zijn concrete zintuiglijkheid altijd totaal anders dan de psychisch- mentale fantasmata er over. Streeft men er toch naar om deze fantasmata te realiseren, dan gaat weer het archetypisch mannelijk doelgericht handelen de sympaticus activeren en de parasympathicus afremmen. Van waaruit dan de zo vaak besproken seksuele paradox ontstaat: hoe meer zin men krijgt in het neuken, of hoe dichter men een erotisch-seksuele climax voelt naderen, hoe moeilijker het wordt zich over te geven aan en te verwijlen bij het erotisch onbereikbare dat in zijn ongrijpbaarheid passionerend is. Door het orgasme in eigen beheer te willen nemen kan het plots afknappen. In termen van klinische begeleiding spreken we liefst van de grote verscheidenheid aan vormen die een seksuele gemeenschap kan aannemen en dat hierin geen idealen of normen zijn. Is er respect en erkenning voor elkaars lichamelijke presentie dan is tussen vrijenden alles toelaatbaar en kan er van alles verwacht worden. Nu eens is het een zachte, niet hartstochtelijke communicatie, dan eens een bijna zuiver biologische genoegdoening zonder meer zoals een vlug verorberd ontbijt, dan weer eens een onverwacht wellustige ontmoeting, dan een wat stuntelig zoeken van mekaar, dan een louter erkennend kontakt zonder dat dit tot gemeenschap leidt, enzovoort, enzovoort. Dit norm-ontkrachtend spreken stimuleert meer de parasympatische overgave dan vele woorden omtrent ‘overgave’ die paradoxalerwijze een doelstellingskramp oproepen waardoor juist alle overgave onmogelijk wordt. De beste voorbereiding tot erotisch-seksuele aanraking is dus de verdere voorbereiding, deze van de louter erkennende aanraking en deze van de zuiver erotische aanraking.
En daar gaat dan nog aan vooraf de tonus regulatie via eutonische of haptonomische oefeningen en de symboliserings-verwerving via associatieve en kunstzinnige benaderingen. De erotiek en seksualiteit die in romans, strips en weekbladen wordt getoond en beschreven is zo anders, zoveel mooier en gemakkelijker dan het gestuwd, stuntelig en onbevredigend lichamelijk omgaan van zovelen die de wanhoop nabij bij relatiedeskundigen te rade gaan. De kunst van het fijnzinnige en deugdverschaffend lichamelijk omgaan met elkaar is nog helemaal geen maatschappelijke verworvenheid.
(1) E. LEVINAS, Totalité et in fini; essai sur l’extériorité, Den Haag, Nijhoff. 1961.
