Integratie en religie

Alles ontstaat en ontwikkelt zich door zich te verbinden. Wanneer er tussen afzonderlijke elementen geen verbinding tot stand komt, dan verliest de bestaande energie geleidelijk aan haar arbeidsvermogen.
De energie lekt weg. De entropie neemt toe. Ware er niet dat wonderlijke principe van de mogelijkheid tot verbinding, al het bestaande zou wellicht al lang een warmtedood zijn gestorven. De verbinding van elementen schept organismen die sterker en stabieler zijn dan de afzonderlijke elementen en die aan de tendens tot entropie weerstaan.

Om tot zo’n organisme van hogere complexiteit te komen zijn er vier voorwaarden:
1 ° er moeten elementen zijn die met elkaar in contact kunnen komen,
2° er moeten omstandigheden zijn die een dergelijk contact effectief mogelijk maken,
3° deze elementen moeten als kenmerk hebben dat ze op elkaar inhaken zoals bv. de noordpool en de zuidpool van magneten, zodat er tussen de elementen een interactie tot stand komt,
4° hetgeen onder bepaalde voorwaarden leidt tot een duurzame vorm van organisatie (2).

Het tot stand komen van een organisatie, of de orgariose, lijkt dus het ene, universele principe te zijn van de ordening, de evolutie, het leven in de kosmos. Het geheim van de schepping is het zich kunnen integreren binnen een groter geheel. Het afzonderlijke, ronddwalende element, dat in staat is zich met andere elementen te verbinden, kan zich door middel van deze verbondenheid integreren binnen een omvattender organisme dat sterkere levenskracht heelt dan het afzonderlijke element op zichzelf ooit zou kunnen hebben. Het element overtreft dus zichzelf door lid te worden van een groter geheel. Het element krijgt de eigenschappen van het geheel, veeleer dan dat het geheel de eigenschappen van de elementen zou overnemen.

Dit kosmische, alom aanwezige principe is bijvoorbeeld reeds aanwezig bij het ontstaan van de scheikundige elementen. Koolstof verbindt zich makkelijk met andere elementen, hetgeen geleid heeft tot het ontstaan van moleculen (aminozuren), die zich op hun beurt organiseerden tot levende cellen, die zich op hun beurt samen integreerden tot levende lichamen. Maar hoe kwam koolstof tot stand? De enige voorhanden zijnde plausibele theorie daaromtrent is dat bij het uiteenspatten van de oerwolk van fotonen, drie heliumkernen zich met elkaar moesten verbinden. Twee heliumkernen die binnen deze oerknal met elkaar in contact komen, spetteren van elkaar weg na een contact van een miljoenste van een miljoenste van een seconde. Het is pas wanneer een derde heliumkern binnen deze fractie van een seconde de beide andere ontmoet, dat deze drie kernen zich verbinden tot het zeer stabiele koolstofatoom. Eens dat dit drietal tot dit complexere organisme is samengesmeed, is het niet meer uit elkaar te breken en kan het als basis dienen voor vele andere nieuwsoortige verbindingen. (2)

Dit verhaal illustreert hoe elementen die in principe met elkaar in contact en tot interactie kunnen komen, door toevallige omstandigheden (chaos) elkaar ontmoeten en zich dan integreren tot een organisme van hogere en stabielere orde. Blijkbaar hebben de afzonderlijke elementen niet enkel een mogelijkheid om op zichzelf te bestaan, maar ook een mogelijkheid om zich met sommige anderen te verbinden en zodoende bouwelement te zijn van grotere gehelen. Dit organose-verhaal kan ook verteld worden over de mens. Ook hier wordt aan de genoemde vier voorwaarden voldaan:
1° Mensen zijn wezens die met elkaar in contact kunnen komen.
2° Allerlei toevallige of niet toevallige omstandigheden brengen effectief mensen in contact met elkaar.
3° Mensen hebben kenmerken die wederzijds aantrekkelijk zijn en tot een interactie aanleiding geven, zoals bv. binnen de vrouw-man-relatie.
4° Onder bepaalde voorwaarden resulteert dit in een blijvende “relatie”, in een nieuw sociaal organisme.

Het blad van de boom
In de lente ontspringt het blad aan de boomtak, We kunnen het blad bekijken als een element op zich.
We geven het een eigen naam: ‘blad’. Het lijkt te bestaan op zichzelf omdat het maar met een klein steeltje aan de tak vastzit en makkelijk van de tak loskomt. Het blad verbindt zich met een stroom van sappen die opstuwt vanuit de wortels. En door het proces van fotosynthese geeft het blad het leven door aan de gehele boom. Blad zijn, dat is boom zijn. Blad zijn, dat is zich integreren in het leven van het boom zijn, dat is samenwerken, dat is horen tot het grotere geheel, dat is deel zijn van het omvattender levend organisme, dat is leven vanuit het geheel. Een blad dat alleen op zichzelf zou willen bestaan, laat de boom los, het valt naar beneden, en sterft.

Terugstappen vanuit een omvattender Organisme naar het element-zijn-op-zichzelf is een vorm van entropie. Wanneer het blad zich terugtrekt op zichzelf, verliest het de voordelen van de omvattender ordening. Het heeft te weinig eigen ordening om nog op zichzelf overeind te blijven. Entropie is dus ook toename van wanorde, teloorgaan van een geïntegreerd-zijn in een omvattender orde. Entropie is een verlies van organose.

Ook als mens ben ik gelijk aan een blad van een boom. Mijn ‘ik’ leeft vanuit de verbindingen die ik met andere mensen heb, en vanuit de stroom van een ruimere gemeenschap met een eigen taal, een eigen cultuur, eigen idealen. Wat ik mijn ‘ik’ noem, dat is de familie waartoe ik behoor (mijn familienaam), de werkkring die ik tot de mijne kon maken, de groepen waarmee ik mij vereenzelvig, de levensbeschouwelijke gemeenschap wiens geloof ik deel. Mijn ‘ik’ bestaat dus bij gratie van mijn geïntegreerd zijn in ruimere sociale organismen. Waarom zou ik mijn bewustzijn verengen tot dat van het blad-zijn terwijl ik leef vanuit het deel-zijn van een boom?

Wanneer een element zich verbindt met het grotere organisme, waar het deel van uitmaakt, dan verstevigt het de organose ervan. Het stelt zijn energie ter beschikking van het geheel. Het element integreert zich in het geheel. En daardoor krijgt het grotere organisme meer ordening en meer levenskracht. Maar terzelfdertijd wordt het daardoor ook meer geïntegreerd in zichzelf. Daar de energie van het geheel door alle delen ervan stroomt, worden deze delen er ook stuk voor stuk beter van. Zij worden door het geheel gedragen, zij worden er door gevoed en gestimuleerd. Dit is een recursief proces: hoe meer het blad de boom doet leven, des te meer leven krijgt het blad van de boom, waardoor het de boom doet leven. Door zich te integreren in het geheel, integreert het element ook zichzelf tot een hogere kwaliteit van zijn.

Religie
De religie legt in wezen eenzelfde proces bloot. Eigen aan de religie is dat zij de mens verbindt met het alles overstijqende, absolute geheel. Een religieus voelende mens verbindt zich met de bron van alle bestaan. Hij weet zich vervuld door die ene, alles omvattende Tegenwoordigheid die aan alle zijn ten grondslag ligt. Hij is erdoor vervuld, zoals het blad door het sap van de boom. Zijn hart loopt over van de warmte die hij vanuit dat besef ervaart. Hij zoekt zich door de volheid van het Geheel te laten vervullen en beroeren omdat hij zich dan opgenomen en geïntegreerd weet in het volledigste en volmaaktste leven dat bestaan kan. Onafhankelijk van de vraag of er echt iets transcendents ervaren wordt, is de religieuze mens gegrepen door het verlangen van reïntegratie in het geheel. Voor hem is dit het fundamenteelste menselijke verlangen, de inzet van een leven-waard. Zelfs als hem bewezen werd dat dit transcendente Geheel niet bestaat, dan nog zou hij blijven zoeken om geïntegreerd te raken in het hoogste geheel dat er dan wél bestaat. Omdat dit de enige plek is waar de religieuze mens zich thuis kan voelen. Het eigene van de religie is immers te streven naar dit vervuld worden door en het gericht zijn op de allerhoogste eenwording. Religie is de absolute vorm van het fundamenteel menselijk verlangen naar volledigheid en integratie.

De niet-gelovige religieuze mens kan vervuld raken door het besef dat elk wezen vervuld kan zijn door het alom aanwezige, kosmische principe van integrale verbondenheid, maar hij beleeft dit alles omvattende Geheel niet als een organisme met een hart, met een persoonskern waarop hij zich persoonlijk kan betrekken. Triviaal gezegd: de niet-gelovige bidt niet tot een persoonlijke God. Hij laat zich vervuld worden door het verlangen naar algehele integratie, en dat is voor hem het summum van wat er is. De gelovige religieuze mens vertrouwt zich toe en geeft zich over aan het omvattende Geheel vanuit het besef een lidmaat ervan te zijn, maar daarin onderscheiden te blijven van de centrale kern ervan. De gelovige leeft vanuit het besef dat deze kern, of bron, of oorsprong, naar menselijke voorstellingswijze de gestalte heeft van een goddelijke Persoon, waarmee hij in contact kan komen, en die hem uitnodigt tot een dialogale relatie. De gelovige weet zich niet enkel element binnen het Geheel, hij verbindt zich door daden van gebed tot de als Persoon gesymboliseerde Kern ervan. Deze goddelijke Persoon is een Al-Moeder, als men de uitstralende vruchtbaarheid en warmte ervan ervaart, en is een Al-Vader, als men de morele en sociale organose-kracht ervan bekent.

lntegratief leven
De religieus voelende mens is niet enkel vervuld door het besef van het Grote Geheel, hij beleeft zich Ook als de afstraling ervan. Vanuit zijn vervuld-zijn kan hij niet anders dan deze volheid doorgeven aan anderen. Hij is open, invoelend, begrijpend, verankerd in zichzelf, in zichzelf geïntegreerd. Zijn mensbeeld is niet op het ‘ik’ gericht, en zijn interesse is niet egocentrisch. De beleving van vervuld-zijn door het Al maakt een mens altruïstischer, ruimer denkend, gelukkiger, minder behoeftig (3).
Zijn gerichtheid op integratie verhevigt zijn sociale betrokkenheid. Hij wil meewerken aan de vermenigvuldiging van de organose. Hij wil er zich toe verbinden om de verbondenheid van de mensen onderling te stimuleren. Hij zoekt naar mogelijkheden om diepere contacten mogelijk te maken, en om tot samenwerking en broederlijkheid te komen. De mens-mens-relaties zijn voor hem afspiegelingen van datgene waar het uiteindelijk om gaat: de algehele verbondenheid.

We raken hier het kernpunt van ons bestaan. Door het leven vanuit het ons toevertrouwen aan de universele, totale verbondenheid binnen het grote Geheel, worden wij gestimuleerd en gesteund in onze concrete, alledaagse verbondenheid met onze Onmiddellijke omgeving. Het Alomvattende geeft kwaliteit aan het beperktere. Het grote organisme geeft zijn energie· door aan de elementen die er zich laten door vervullen. Maar andersom is het ook zo dat onze concrete toewijding aan de dagdagelijkse werkzaamheden, en onze tussenmenselijke bejegeningen meebouwen aan de schepping van het omvattender Geheel. Zonder onze inzet neemt de entropie toe van het Geheel. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het omvattende Geheel ligt in onze handen. Ook al is er een goddelijke Kern, een centrale Bron, het organismische Geheel ontwikkelt zich door toedoen van de verbindingen die mede door de elementen tot stand komen. Het Geheel verliest zijn uitstraling wanneer de elementen de entropie en de wanorde laten toenemen.

Aandacht, verwondering, creativiteit, toewijding
Deze heen-en-weer beweging tussen het Geheel, of de Bron van het Geheel, en het Element, of de verbondenheid tussen de Elementen, is cruciaal voor beider integratie, en plaatst ons voor een aantal verantwoordelijkheden. Vooreerst zullen wij ons met meer aandacht afstemmen op wat wij rondom ons kunnen waarnemen als sporen van een groter integratief Geheel (1): In elk blad van een boom speuren wij naar de tekenen van een ruimere verbinding. Elk blad draagt in zich het kosmische principe van een integratie in een groter organisme. Met onze aandacht kunnen wij aan het blad zijn plaats gunnen aan de tak van de boom, en aan zijn contact met de sappen uit de wortels. In elke mens speuren en erkennen wij een diepere betrokkenheid op anderen. Door aan deze, soms onbewuste, betrokkenheid aandacht en erkenning te geven, gunnen wij aan de liefde een plaats in de wereld. Zonder deze aandacht kan die liefde niet in leven blijven.

Ontwikkelen wij deze aandacht, dan zullen wij verwondering ondervinden. Ons gemoed zal vervuld raken door de schoonheid en de kwaliteit van mensen en dingen. Ons hart zal ook pijn gewaarworden bij het zien van wanorde en oorlog, maar het zal er zich niet laten door ontmoedigen. Ons hart zal zich blijven openen voor het goede, voor dat wat deugd doet. En het zal daardoor gemotiveerd worden om er iets aan bij te dragen.

Integratief leven maakt creativiteit los in ons. Bij elke handeling en bij elke ontmoeting voelen wij een tendens in onszelf om met zorg om te gaan met mensen en dingen. Er is een roep in ons binnenste om het bestaan te beveiligen, te ordenen, te ontwikkelen, te vernieuwen, te verbinden, te scheppen. Luisteren we naar deze innerlijke roep, dan kunnen wij de neerwaartse zuigkracht van de entropie, de luiheid, de wanorde, de teloorgang overwinnen. De voeling met de kracht van het grotere Geheel maakt ons creatief, spontaan, gelovend in onszelf.
Onze dagdagelijkse bezigheden worden beter geordend, zorgvuldiger afgehandeld, duidelijk. afgebakend en begrensd, met meer kwaliteit gevormd omdat wij ze met toewijding bejegenen. Hetzelfde geldt voor onze contacten met de medemensen. Onze betrokkenheid wordt groter, onze communicatie helderder, onze eerlijkheid moediger, onze getuigenis authentischer. Het vertrouwen in de kracht van de verbondenheid maakt dat wij met meer kracht meewerken aan het tot stand komen van vrede, overleg, samenwerking en liefde. Ook al kost ons dat soms grote moeite.

Uiteindelijk kunnen wij dit op integratie gerichte omgaan met de concrete mensen· en dingen samenvatten als een integratieve bejegening. Daarbij is de instroom vanuit het alomvattende naar onszelf toe verbonden met de. uitstroom vanuit onszelf naar de medemens, de omgeving, de wereld, het Alomvattende. De integratieve bejegening integreert dus eveneens het scheppen en het geschapen worden, het uitstromen en het instromen, het vervullen en het vervuld worden.

Een dergelijk besef kan ons enthousiasmeren tot in onze diepste vezels. Maar daarbij ontkomen wij ook niet aan het besef dat dit alles moeite kost. De neerwaartse neiging tot entropie is ook altijd en overal aanwezig. Deze dooddoener moet elke dag weer opnieuw overwonnen worden om écht integratief te kunnen leven. Maar vanuit een integratief bejegenen kunnen wij ook elke dag opnieuw opstaan en uit de slaap verrijzen.

(1) Gerard BODIFEE, Aandacht en aanwezigheid; over creativiteit in een onvoltooide wereld, Kapellen, Pelckmans, 1991.
(2) Edgar MORIN, La méthode, /. La nature de la nature, Par is, Editions du Se uil, 1977, pp. 51-55
(3) Ben SCHOMAKERS, Ogen open; een klein pleidooi voor mystiek, Filosofie Magazine, jan. 1995,pp. 20-23.