Oost en West

Oosterse inspiratie
en Westers denken:
stroom in een bedding.

Staande op de oever van een stroom kunnen wij letten op de steeds bewegende stroming van het voorbij vloeiende water, of op de blijvende vastigheid van de bedding. Lettende op de bedding kunnen wij met de Griekse filosoof Parmenides zeggen dat wat ‘is’ blijft wat het is, daarmede de stabiliteit der dingen benadrukkend. Daartegenover stelt die andere Griekse filosoof Heraklitos dat niemand zich tweemaal kan baden in hetzelfde water omdat, zoals de stroom, alles voortdurend verandert.

Het leven integreert de twee zijnstoestanden die wij met ons verstand onderscheiden als beweging en stabiliteit. Maar de menselijke culturen hebben de neiging orn ofwel de ene ofwel de andere zienswijze tot de kern van hun doen en laten te nemen. Elke cultuur legt enigszins eenzijdig haar hoofdaccent op één van beide zienswijzen. Dat brengt mee dat culturen daardoor sterk van elkaar kunnen verschillen.
Zo brengt men het op doorstroming gebaseerde  wereldbeeld van Oosterse spirituele meesters in oppositie met het op objectieve vastigheid gebaseerde wereldbeeld van de Westerse techniciteit. En dichter bij huis is er de tegenstelling tussen de Helleense cultuur van het Oude Griekenland en het Romeinse Rijk enerzijds en de Semitische Nomadencultuur van Palestina en het Midden-Oosten anderzijds. (1)

De stroming gewaarworden van het Semitische denken is dynamisch, gespierd, gepassioneerd en soms het explosieve nabij. Het Helleense denken daarentegen is statisch, vredig, gemodereerd en in wezen harmonieus. Het benoemt mensen en dingen vanuit het besef dat er iets blijvends is. een identiteit die gelijk blijft aan zichzelf, waardoor men een mens en een ding herkent, ook al zien de mens en het ding er ouder uit. Het wezenlijke verandert niet. Zijn invloed is voorspelbaar en biedt daardoor veiligheid. Men weet waar men aan toe is met die mens of dat ding. Het Semitische denken kan zich een dergelijke immobiliteit niet voorstellen. Voor hen is niets gefixeerd. Alles is voortdurend in beweging, veranderend, zich ontwikkelend, verlopend in een geschiedenis.

Waar het Helleense denken alles kan vastleggen in definities die aangeven wat iets in wezen is. daar kan het Semitische denken alleen met verhalen vertellen wat er op bepaalde momenten gebeurd is. Semieten zijn gericht op processen en op de ervaringen die men daarbij meemaakt. Hellenen richten zich op de objectiviteit en leggen de fundamenten voor de positieve wetenschappen en de voorspelbare wetmatigheden. Het verschil van de twee beschouwingswijzen kan ook benoemd worden als de tegenstelling tussen een logische en een psychologische benadering. ‘Wanneer wij logisch denken, dan plaatsen wij onszelf objectief en onpersoonlijk buiten de zaak en wij vragen ons af wat ervan de waarheid is. Willen wij de kwestie psychologisch begrijpen, dan maken wij er ons innerlijk vertrouwd mee, en wij proberen door een empathisch volgen van zijn ontwikkelingsgang de onvermijdelijkheid ervan te vatten’ (1,p.193). Wij vereenzelvigen ons zo mogelijk met het  proces en onderzoeken de waarachtigheid ervan, de authenticiteit van een gegeven dat niet als objectiveerbare waarheid vast te stellen is.

Elders hebben wij dit beschreven als het verschil van een spreken ‘over’ de werkelijkheid in de derde persoon enkelvoud, en een aangesproken worden door de werkelijkheid als door een tweede persoon (4). In het Oosten ligt de werkende kracht van het zijn als een ‘jij’ buiten het ik, waar in het Westen de motor van het zijn gelegen is in het ‘ik’ van de ‘Homo Faber’ die alles onder controle wil krijgen. Volgens de Oosterse leermeesters moet men, om bewust te worden van het ware, niet proberen om er greep op te krijgen, het te overmeesteren, het te bezitten, maar proberen om het in zich te laten doordringen, om het te beluisteren. om het te vervoegen, om er zich in te integreren (2,p.153). Het Hindi heeft geen woorden en geen spraakkundige structuren om de Westerse beleving van ‘hebben’ en ‘bezitten’ uit te drukken. Waar wij zeggen:’lk heb dat boek’, daar luidt het in het Hindi: ‘Dat boek is bij mij’ of : ‘Dat boek is in mijn nabijheid’.

De Helleense cultuur wil de werkelijkheid beheren, en hecht daarom veel belang aan de waarneming. Men wil er zicht op krijgen, en wel zo objectief mogelijk. De uiterlijke vorm geeft de doorslag.
Wat gelijkvormig is krijgt een zelfde naam. Zowel een ring van goud als een van zilver is een ring.
De Oosterse zienswijze daarentegen kijkt niet naar de uiterlijke vorm. maar j naar de grondstof waaruit iets gemaakt is en naar de invloed die iets heeft: een ring van goud heeft een andere wezenheid, een andere uitwerking en een andere naam dan een ring van zilver. De Semitische culturen hechten het meest belang aan de indrukken en gevoelens die de mens zélf door het contact met de werkelijkheid in zichzelf gewaarwordt. De wereld wordt niet benaderd vanuit het objectief waarneembare, maar vanuit de effecten die hij in de mens teweegbrengt. De mens is steeds medebetrokkene.
Vandaar dat de Semiet zich niet afvraagt of iets op zichzelf ‘is’ en ‘bestaat’ (statisch), maar of er iets bewerkt wordt (dynamisch), of iets een bepaald effect heeft. Men opent oor en oog voor de wijze waarop de werkelijkheid de mens beînvloedt, en voor de eigen toegankelijkheid of ontoegankelijkheid ervoor. De Helleen heeft een voorkeur voor het waarnemen en ‘zien’, de Semiet voor tiet gewaarworden en ‘horen’.

De Westerse gedrevenheid om te maken, te fabriceren, te bouwen, te construeren, te produceren. heeft als tegenhanger de Oosterse ingesteldheid op geboorte en innerlijke groei (2,p.148). Het Oosterse werken is geen ‘maken’, maar een ’toelaten’, een aandachtig luisteren, een horen, gehoorzamen, laten gebeuren (5, p.127). Volgens de Semitische geest is dit een zeer actief en emotioneel betrokken zijn bij, en een geëngageerd meewerken aan dat wat men laat geboren worden. De mens is de vroedvrouw bij de geboorte van het heelal. Rust, harmonie, beheersing, zelfcontrole; dat is de Helleense weg. Beweging, leven, emotie, en kracht; dat is de Semitische weg. Aan de ene zijde het dynamische, krachtige, energierijke ingeschakeld zijn in een stroming, waardoor de mens zich laat transformeren. Aan de andere zijde het geordende, uitgebalanceerde, klassieke, doordachte, berekende, zinvolle, objectieve  transformeren, niet van zichzelf maar van de werkelijkheid, tot de werkelijkheid een hanteerbare en herkenbare vorm heeft gekregen. (1 ,p.68 en p.205)

De universele dynamiek laten doorstromen
Volgens de meesters uit het verre Oosten moet het kleine menselijke Ik zich laten leiden door een spiritualiteit van het universele Zijn. “Brahma” is de naam die gegeven wordt aan de alomtegenwoordige kracht of energie of z ijnsqrond. Het is de dynamiek die alles schept en clraaqt. De mens heeft er meer deugd van om zich daar op af te stemmen, dan om zich af te stemmen op de beperkte rnogelijkheden van een geïsoleerd Ik. Binnen deze levensvisie is het overigens een illusie te denken dat het ik vanuit zichzelf iets anders kan scheppen dan wat het vanuit universele krachten te beurt valt.
Dit betekent clan dat ons zelfbewustzijn zich niet samentrekt in het Ik-punt voor zover dit de werkelijkheid objectiverend waarneemt, ze aan zich onderwerpt, ze opdeelt, ze beheerst, maar dat ons bewustziin opgaat in liet gewaarworden en bejegenen van dynamieken die onze rationele vaststellingen te boven gaan (5,p.17). Dan is onze bezigheid als mens gelegen in een bewust aanv/eziq zijn bij en een meewerken met de werkzaamheid van een universele dynamiek

Deze ingesteldheid van het bewustzijn sluit meer aan bij de Oosterse en Semitische geestesculluur dan· bij de Helleense en Westerse. Daar bij het bejegenen de waarneming meteen overvloeit in de emotionele gewaarwording, is het te begrijpen dat de Oosterse leermeesters sprexen van een ervaring waarbij ‘het waarnemend bewustzijn en het waargenornene dee! hebben aan elkaar binnen de ongespleten eenheid van het Zijn’ (5,p.137). Er wordt in de bejegeningskringloop geen onderscheid meer ervaren tussen het moment van het waarnemen en het moment van het emotioneel gewaarworden. Voor de Semiet is de werkelijkheid niet iets dat rustig op zichzelf bestaat en van op afstand kan waargenomen wurden, maar iets dat inwerkt op de mens. Een en hetzelfde woord betekent trouwens zowel ‘worden’, als ‘zijn’ en als ‘bewerken’. Neemt de mens iets waar, dan brengt dat iets in hem teweeg. Neemt hij van binnenuit contact mee, dan wordt hij er ergens in zichzelf aan gelijk.

Een mens die van binnenuit open aanwezig is bij het licht van de zon wordt zelf lichtend. Het licht van buiten bewerkt licht in de mens. De mens werpt nu zelf licht op zijn omgeving. De mens wordt dus ais datgene waar hij zich op betrekt. Stemt hij zich af op een universele dynamiek, dan gaat hij er in op, dan wordt hij er deelachtig aan.

De bakens in de stroom
De nadruk die de Semiet legt op het meestromen met de stroom kan, bij een te sterk en eenzijdig benadrukken, verglijden naar een ontkenning van de behoefte aan houvast, rationaliteit, overzicht, analyse, objectiviteit. Nochtans, bij een stroom die te wild wordt moeten door mensenhand dijken aangelegd worden. Een stroom die een grillige bedding uitgraaft moet bebakend worden zodat wie op de stroom vaart de goede vaargeul ziet. Techniciteit die zich in dienst stelt van een levende stroom schept verdiepende mogelijkheden. Daar waar de stroom dreigt te verkommeren tot moeras kan een doordachte kanalisering de stroom weer stroom laten worden. Wij pleiten dus voor een integratie van Oost en West, van de gevoelstoegankelijkheid en de rationaliteit, van de stroming en van de uitgebaggerde bedeling. Vaak worden de Oosterse en Westerse levensvisies gezien als aan elkaar tegengesteld, terwijl zij in wezen elkaar aanvullen. Hun verdedigers zijn, zoals zo vaak, juist in de positieve uitspraken over zichzelf en onjuist in negatieve uitspraken over de ander.

De Helleense geest brengt klaarheid in het proces door daarin momenten en fasen te onderscheiden, door de dynamiek ervan te omschrijven, door de stappen te ontdekken die men moet nemen om mee te stromen met de stroom. Door accurate observatie ontdekt men de wetmatigheden van de levensprocessen. En deze vormen vervolgens de vastgestelde inhouden van leerprocessen.
De leerprocessen nodigen uiteindelijk uit tot een adequaat omgaan met de stromingen van het leven.

Na deze uitwijdingen over de twee polen met hun verschillend accentueren van de werkelijkheidsbenadering, stellen wij de vraag naar de relevantie ervan voor onze eigen permanente zelfvorming en voor onze begeleiding van anderen. Problemen oplossen of opheffen er is in de geschiedenis van het geestelijk leven van de mens een zelfde tweepoligheid (9;p.64). Er zijn spiritualiteiten die de naclruk leggen op het overwinnen van het kwade en zondige. Zij leiden hun volgelingen langs het steile pad der deugd naar de hogere toppen. Het is een moeizame en ascetische weg. Het moeizame is gelegen in de opgave om greep te krijgen op het innerlijke leven, om zichzelf te beheersen, om werk te maken van een deugdzame levenswandel.

En er zijn spiritualiteiten die de nadruk leggen op het bewustworden van de gegevenheid van de aanwezige hogere dynamiek. Zij beschouwen het geestelijk leven als de aanvaarding en de bevestiging van een aanwezige werkelijkheid. Men moet zich niet inspannen om het diepere of hogere te bereiken. Men zoeke niet als vogels die op zoek zijn naar lucht. Men zoeke hoe men zich op de meest deugddoende wijze kan laten dragen door de luchtstromen. vlak van de menselijke problematiek zijn evenzeer twee analoge benaderingen in zwang. Westerse traditie maakt hard werk van het oplossen van problemen. De gedragstherapieën ontwikkelen speciale technieken om problemen de baas te kunnen: multifactoriële diagnosen, contextuele assessments, multimodale begeleidingen, gevolgd door gesofistikeerde effectmetingen, evaluaties en nabesprekingen. Dit alles wordt mogelijk gemaakt door het probleem als een casus op zichzelf te benaderen. Het specifieke probleem staat bijna centraler dan de mens die een probleem ‘heeft’.

De door een Oosterse benadering geïnspireerde therapie (6 en 8) zoekt niet het probleem op te lossen maar het op te heffen naar een hoger niveau van bewustzijn. De ervaring van het probleem-zijn wordt beschouwd als het verliezen van contact met de universele stromingen van leven en liefde en energie. Het probleem verdampt en wordt opgeheven door de voorhanden zijnde situatie te verheffen tot een kwestie van overgave aan een hogere dynamiek. In plaats van zich te fixeren op een gelsoleerd probleem, wordt het bewustzijn gericht op de verbondenheid met krachten die voor en doorheen iedereen werkzaam zijn. En dit is méér dan eeri oefening in positief denken. Het is de bewustwording van dat wat ‘is’, van dat wat ‘goed’ is, van dat wat ‘groeikracht’ is. van dat wat ‘verbondenheid’ is.

De vraag rijst waarom wij ons niet meer vanzelfsprekend bewust zijn van dit vertoeven in de stroming van het universele. Het vergt overgave. En dit lijkt riskant. Wij moeten het vertrouwde houvast loslaten en springen in het onvoorspelbare avontuur. Uit angst klampen wij ons vast aan tiet controleerbare en vertrouwde. Is de psychopathologie iets anders dan een verkramping? Kijk naar de lichaamstaal van de patiënt: hij zit vastgeklemd in zichzelf, gefixeerd op zijn symptomen met taaie vasthoudendheid zich vastklampend aan de reddingsboten die hij toevallig in zijn buurt ontwaart. Hij zit gevangen als een vogel in de netten. Om bevrijd te raken moet de vogel de netten verscheuren, denkend aan de lucht die vlakbij is.

Welke stappen kunnen wij nemen (volgens onze Westerse benadering) om ons over te geven aan cfe bewogenheid van een hogere stroming (naar Oosterse idee)?
Een eerste stap is de ontwikkeling van de gevoeligheid voor de gewaarwording van dat wat deugd cfoet. Er is een groot verschil lussen het ‘aantreffen’ van mensen en dingen, en het ‘bejegenen’ van mensen en dingen (3). ‘Iemand aantreffen’ is een vorm van contact waarbij men de ander indeelt in de objectief verklaarbare wereld waarover men kennis kan opdoen. Men kan de ander leren kennen vanuit zijn kenmerkende kwaliteiten, waar men echter vreemd van blijft. Men heeft onderweg iemand aangetroffen die de weg zocht, en men heeft hem de weg gewezen, zonder met hem mee te gaan.

‘Iemand bejegenen’ gebeurt waar men een ander ontmoet als een lichtende persoon die iets uitstraalt wat ons diep raakt. In zo’n ontmoeting raken wij betrokken in het leven en beleven van de ander. Wat wij waarnemen ontroert ons. Het maakt dat wij openlijk en welgemeend meeleven met wat de ander uitstraalt. De ontmoeting doet appèl op het beste in onszelf. Zij maakt een energie los die anders in ons blijft sluimeren. Wij ervaren het als een doorgeven aan lelkaar van een universele menselijke verbondenheid. Zij wordt door ons niet geconstrueerd. Het is geen coconstructie, ontstaan uit een inspanning van ons beiden. Het is eerder een genadig contact waaraan wij ons, als we wijs zijn, maar best kunnen overgeven. Het is de deugd die wij meemaken en ons eigen maken àls wij ze niet onachtzaam aan ons voorbij laten gaan.

Een tweede stap is het leren onderkennen van wat ons van de stroming verwijdert. Ons gemoed moet leren alert te zijn voor wat ons beangstigt, bang maakt, laf doet zijn, verkramping verwekt. Wij moeten onze negativiteit leren ontdekken, het boze in onszelf te pakken krijgen, en het ontspannen in de ogen kijken. Dan zullen wij merken dat het niets vermag tenzij wij het een macht toedichten die het vanuit zichzelf niet heeft. Angst is geen kracht maar veeleer het ontwijken van kracht. Het tot zich nemen van kracht betekent het opnemen van verantwoordelijkheid. Het is een engagement, met risico en onvoorspelbaarheid.

Een derde stap is het eutoon bejegenen van al wat men lijfelijk onder handen krijgt. Elk ding waarop men zich betrekt kan zich aan ons openbaren als de getuige van un.versele processen van wording, transformatie en gebruik. Elk ding is residu van een levendige wisselwerking tussen beweeglijkheden (4) en aldus getuige van verbondenheden die alom tegenwoordig zijn Door het aanraken van het ding tasten wij naar de krachten die het ding zijn vorm hebben gegeven. Door het aanraken van een mens tasten wij naar een ziel. Het dagelijks pratikeren van een bejegenende contactname met mensen en dingen openbaart ons dat de hoogste waarheid en werkelijkheid ons onverwacht te beurt kan vallen, hier en nu.

(1) Thorleif BOMAN, Hebrew thougth compared with Greek, New York, Norton, 1970.;
(2) Médard BOSS, Un psychiatre en Inde, Fayard, 1971.
(3) Paul CHRISTIAN, Antreffen und begegnen, Jahrbuch für Psychologie und Psychotherapie, Band 1/111 (1958)
(4) Ferdinand CUVELIER, Verbondenheid, Kapellen, Pelckmans, 1998.
(5) Karlfried Graf DUERCKHEIM, Transcendentaal ervaren, Katwijk, Servire, 1968.
(6) Or JACOBS, Indische Weisheit – Westliche Psychotherapie. München, 1966.
(7) Alan WATTS, The way of Zen, New York, Pantheon Books, 1957
(8) Alan WATTS, Psychotherapie Oost en West, Den Haag, Bakker, 1973.
(9) Alan WATTS, Het grote geheel, Utrecht, Patmos, 1973.