Voor het eerst in de geschiedenis heeft het gedrag van mensen ernstige en misschien zelfs onomkeerbare gevolgen voor de natuur en de leefomstandigheden van alle levende wezens op onze planeet. De gemiddelde temperatuur stijgt, de ozonlaag wordt dunner, er is gebrek aan schoon water, diersoorten sterven uit, er is steeds minder biologische diversiteit, tropische regenwouden verdwijnen en er komen steeds meer woestijnen. Allemaal signalen van de naderende crisis die onze planeet bedreigt. Zo schrijft het de Minister-President van Noorwegen, de initiator van het befaamde Brundtland Rapport Our Common Future (2).
Nog geen 200 jaar geleden bestond de wereld voor het grootste deel uit inheemse culturen, die zich in de loop van duizenden jaren hadden afgestemd op de natuur en de omgeving waarin zij leefden. Zij vereerden en respecteerden de natuur, omdat zij wisten hoe afhankelijk zij waren van deze natuur. Volgens hun bijna over de hele wereld verspreide ‘kosmos visie’ is de natuur heilig. Het bestand van wilde dieren mag niet roekeloos afgejaagd worden, de bomen niet meer dan strikt nodig omgehakt worden, de graslanden niet plat gegraasd worden. Zij konden de natuur gebruiken maar niet opgebruiken. Hun ecologisch beheer, uit eeuwenlange ervaring gegroeid, zorgde ervoor dat de natuur kans kreeg om zich te regeneren. Wij kunnen zeggen dat deze traditionele culturen de natuur bejegenen. De mens respecteert er de natuur evenzeer als zichzelf. De mens beschouwt de natuur niet als iets dat buiten hem staat. Hij onderwerpt er zich aan. Hij weet dat het bestaan van zijn nakomelingen ervan afhankelijk zal zijn. Dus houdt hij haar in ere. Het Quechua-volk in Peru aanbidt Pacha Mama (Moeder Aarde). ‘Wij zijn van haar, zij is niet van ons’ zeggen ze (8). De Maya-landbouwer, in Guatemala, beoefent bepaalde verzoeningsrituelen en vraagt vergeving voor de verwondingen die hij Moeder Aarde zal gaan toebrengen (3).
De Nubische cultuur vereerde de Nijl als een god, omdat deze stroom door de ongebluste kalk die hij bevatte, zorgde voor een natuurlijke bevruchting van hun grond (6). En zo zijn alle traditionele culturen, de wereld rond. Zij bejegenen hun natuurlijk milieu als hun eigen bestaansgrond, waarmee zij respectvol dienen om te gaan, waaraan zij deemoedig iets van hun zelfzuchtigheid moeten offeren, waar zij moeten voor zorgen om het in bruikleen te kunnen ontvangen.
Maar de afgelopen twee eeuwen is over de wereld een nieuwe attitude geëxplodeerd: deze van de ongebreidelde industriële markteconomie die met zijn technologische kennis de bestaande natuurlijke rijkdommen is gaan exploiteren. Wij hebben in onze eigen contrijen deze ‘nieuwe beschaving’ aan den lijve ondervonden, gesymboliseerd door de vaak geciteerde woorden van Caesar uit Rome: ‘Veni, vidi, vici’, vrij vertaald als: ‘Ik ben er op afgegaan, ik heb het vanuit mijn perspectief bekeken, en ik heb het onder mijn beheer genomen’. Het was de cosmosvisie van alle ‘conquistadores’: zij gingen af op de ‘wilde’ natuur met zijn ‘wilde’ bewoners, ze keken uit naar goud, zilver, koper, tin, diamant, hout, petroleum, en ze maakten dat die natuurlijke grondstoffen door de ‘beschaafde’ wereld verbruikt konden worden.
Wij willen niet op een goedkope manier de expansiekracht van de koloniserende mogendheden aan de kaak stellen, maar wel de daaraan ten grondslag liggende mentaliteit of attitude, omdat deze nog alom onze westerse cultuur bepaalt. De westerse cosmosvisie is objectiverend, d.w.z. dat zij de werkelijkheid, de omgeving, de natuur, het milieu buiten zichzelf plaatst als iets dat volledig door de mens onderworpen, beheerd, qebruikt kan worden. De mens doet of hij met zijn wetenschappelijke kennis de gehele natuur kent en doorziet, en er dus ook naar eigen believen kan mee omspringen.
In aansluiting bij ons concept van bejegening (zie 121) stellen wij vast dat het facet van de toegankelijkheid voor de boodschap die deze werkelijkheid ons te bieden heeft, volledig ontbreekt.
De objectief ingestelde mens laat er zich niet door raken, laat er zich niet in zijn hart door aangesproken worden. Daardoor mist hij de wezenlijke betrokkenheid op natuur en milieu. De objectiverende houding bekijkt de werkelijkheid en de natuur vanuit een zeer beperkt oogpunt. Zij kijkt enkel naar de natuur voor zover deze kenbaar, analyseerbaar en verbruikbaar is. Haar waarneming is dus erg reductionistisch: de natuur wordt herleid tot consumptiegoed. Een mens of een cultuur met deze objectiverende houding laat zich niet raken door de natuur als door de Moeder die zal moeten zorgen voor de kinderen van onze kinderen. De besluitvorming baseert zich dan ook enkel Q-P het eigenbelang op korte termijn. De wetenschappelijk-technologische activiteit werpt zich volop op het gebruiken en opgebruiken en consumeren van de buit die zij van haar grote jachtgebieden heeft meegebracht.
Heden ten dage stelt de wereld met ontsteltenis vast dat deze technologische objectivering aan iets wezenlijks heeft voorbij gezien: de Toekomst. Het begint allemaal uit de hand te lopen. De Toekomst is niet meer onder controle. De louter objectivistische technokratie schiet tekort. Zij moet hoogdringend aangevuld en in evenwicht gebracht worden door wat meer echte bejegening. De kennis, van waaruit men de natuur wil beheersen, warde tot wijsheid die zich door de natuur laat beleren. Het is niet zo verbazend dat binnen een objectiverende cultuur de waarden teloorgaan. Waarden zijn immers uitingen van een bezorgdheid voor de Toekomst, gegroeid vanuit de soms pijnlijke ervaringen uit het Verleden. Religies, mythen en verhalen hebben de traditionele culturen steeds een bejegende attitude voorgehouden, en ten overstaan van de natuur, én ten overstaan van de medemens.
Evenwicht door pluralisme
Hoewel onze technologische en wetenschappelijke vooruitgang gezorgd heeft voor een hoogontwikkelde wereldeconomie, zijn er op dit moment meer armen, analfabeten en werklozen dan ooit tevoren. Een op vijf mensen, van wie het merendeel vrouwen, leeft in troosteloze armoede en elke dag sterven er nodeloos 40.000 kinderen (2). Vele inheemse culturen werden totaal ontwricht door de geïndustrialiseerde landbouw en bosontginning. De invoer van grootscheepse monoculturen, die daarenboven zeer afhankelijk zijn van de soms zeer fors schommelende prijzen op de wereldmarkt, verdreef de traditioneel inheemse landbouw naar de minder vruchtbare gebieden. De kleinere gemeenschappen die, vanuit een evenwichtige relatie met hun natuurlijke omgeving, konden instaan voor hun eigen basisbehoeften op materieel en emotioneel gebied, werden gedestabiliseerd zonder dat de ‘beschaving’ hen leefbare alternatieven ter hand stelde.
De moderne conquistadores bejegenen dus niet de natuur en het milieu, zij bejegenen al evenmin de plaatselijke bevolkingen en de voor hun overleving noodzakelijke religie en cultuur. ‘Wanneer een volk zijn identiteit verliest, schrijft zeer terecht Koning Moshoeshoe van Basuto (Zuid-Afrika), dan verliest het ook zijn vermogen tot zelfontwikkeling, onafhankelijkheid en zelfbeschikking’ (7). Dan gaat zijn organose-kracht teloor. Dan moet het gaan aanleunen bij grote broer, in de bidonvilles rond de grootsteden. Wij staan dus mondiaal voor de enorme tegenstelling tussen een traditionele maar gedestabiliseerde en verpauperde Derde Wereld, die een bejegende wijsheid had ontwikkeld ten overstaan van de natuur, en een geïndustrialiseerde Beschavingsgolf, die haar kennis en beheerskracht haalt uit een wetenschappelijke en objectiverende kennis. De in 1983 opgerichte ‘World Commission on Environment and Development’ is van oordeel dat deze beide ‘kosmosvisies’ elkaar kunnen aanvullen en bevruchten.
De technologie kan er in principe voor zorgen dat er voldoende voedsel is voor iedereen, en de beleidmakers kunnen strategieën ontwikkelen voor een duurzaam bestaan, dat dus voor de kinderen van onze kinderen nog een natuurlijke Natuur garandeert, als zij de oeroude bejegeningshouding overneemt die nog in de traditionele culturen en religies aanwezig is.
De objectiverende attitude wordt dan ondergeschikt aan de bejegenende, zoals de mens zich onderschikt aan de natuur. Alle parate en nog te verwerven kennis komt dan in dienst te staan van een gezonde dialoog met de natuur, in dienst ook van een dialoog tussen rijke en arme landen, waarbij aan deze laatsten hun eigen identiteit en hun eigen ontwikkelingsritme worden gegund. Wij verwijzen hierbij graag naar de levensfilosofie van de Quechua (Peru) die zegt: ‘de eenheid wordt gevormd door het paar, niet door het individu’ (8). Zij bekijken alles vanuit de dialectiek van tegenstellingen die elkaar aanvullen. Onze planeet heeft hoogdringende behoefte aan de wederzijdse aanvulling en ondersteuning van de aloude bejegenende cultuur enerzijds en de jonge, voortvarende technologische cultuur anderzijds.
De westerse industriële beschaving verliest dan wet haar overheersende suprematie en schakelt zich in binnen een pluralisme van gelijkberechtigde culturen. Pluralisme betekent dat er geen dominante cultuur is die haar cosmosvisie aan de anderen oplegt, noch praktisch noch ideologisch, maar dat de verschillende culturen het beste wat zij hebben aan de anderen meedelen, van waaruit universele waarden kunnen oplichten. De ware universele waarden en waarheden zijn deze die doorheen een mondiale consensus tot stand komen. Het zijn de ‘gulden regels’ die in alle culturen en religies voorkomen. Deze hebben door de jaren heen de aandacht getrokken van grote westerse schrijvers en wijsgeren als MONTAIGNE, ERASMUS en Thomas MORE. Praktisch alle scheppingsverhalen van de vete volkeren gaan uit van de eenheid van het mens-zijn. Alle mensen zijn gelijk. Zij stammen allemaal af van een eerste mensenpaar.
De verschillen in taal, cultuur, huidskleur, leefgewoonten zijn van recentere datum. En zij behouden hun onderlinge eenheid zolang zij trouw zijn aan deze oermenselijke grondintuïtie: de ontstane verschillen zijn bijkomstig ten overstaan van de fundamentele menselijke eenheid. Het respect voor deze verschillen stoelt op het diepere weten van onze onderlinge eenheid. In een kind dat honger lijdt in Ethiopië of in India, daarin had evengoed mijn ‘ik’ kunnen belichaamd zijn. Wij zijn op eendere wijze ‘mens’ met eendere basisbehoeften en gelijklopende verlangens. Dit besef ligt ten grondslag aan de attitude van waaruit ik de ander bejegen als mijzelf. Hoe meer mensen dit besef uitstralen, hoe dichter onze cultuur komt tot een ommekeer ten goede. Deze eenheid leidt tot een respekt en een erkenning van ieders eigenheid, doordat wij ieders eigenheid ‘zien’ als een unieke uiting van een zeer veelkleurige en veelvormige eenheid. Juist dankzij deze grote vormverscheidenheid verwonderen wij ons over de onderliggende eenheid.
Het universalisme kan dus nooit vanuit een centralistische instantie uniform aan iedereen opgelegd worden. Het universele kan maar ontdekt worden vanuit een diepere doorlichting van de verscheidenheid. Onze planeet is, gezien door de bril van de organismische concepten, een symbiose van subglobale organismen die elk hun identiteit behouden; tezamen geven zij vorm aan een pluralistisch systeem met diverse sturingen groeicentra die door hun intensieve onderlinge wisselwerking een labiele evenwichtsstructuur vormen; en het is juist deze zgn. dissipatieve structuur die hogere vormen van organisatie mogelijk maakt (5).
Volgens Erich JANTSCH doet de mensheid er beter aan om zich in te passen in de dynamiek van deze socio-kulturele, organismische ‘natuur’ dan om te zoeken naar een utopische, centralistische wereldorganisatie die op dominante wijze haar cultuursuprematie aan iedereen zou opleggen.
Verticale groeilijnen en horizontale solidariteit Het Romeins-westerse organisatie-patroon is hiërarchisch. De top commandeert, de basis marcheert. Binnen de organigrammen wordt dit duidelijk aangegeven door de verticale lijn. Wie bovenaan staat heeft het voor het zeggen. Zo hebben ook de conquistadores van bovenuit, door middel van hun de kreten en hun wapens, de inheemse bevolkingen doen marcheren. Ook de meeste zgn. ‘ontwikkelingsprojecten’ verlopen volgens dit patroon. Binnen de vrije markteconomie rijzen er verschillende lijnen naast elkaar. Zij gaan een onderlinge kompetitie aan, een strijd op leven en dood (faillissement), van waaruit de sterkste als overwinnaar te voorschijn komt. Deze kan dan de zwakkere, ondergeschikt, in dienst nemen. Dit systeem stimuleert de groei van de economisch sterke ondernemingen, en elimineert de zwakken. Op mondiaal vlak worden volgens deze verticale groeilijnen de sterken sterker en de zwakkeren zwakker.
Op onze planetaire tafel liggen tien appelen, en er zijn tien planetaire kinderen. Komt mooi uit, denkt u. Helaas, als de kinderen op de appels afrennen, blijkt dat 4 kinderen er met 8 appels vandoor gaan. Voor de overige 6 kinderen blijven er maar 2 appels over.
Zo is momenteel de relatie tussen de westerse en de ontwikkelingslanden (1). Komt gewoon doordat de 4 snelle kinderen beter gevoed zijn zodat zij sneller kunnen sprinten, en omdat zij de zaak aanpakken volgens het principe van de sterkste-die-wint. Leefden deze kinderen als individuen binnen een traditionele, sociaal kleinschaliger gemeenschap, dan zou hen door de gemeenschap de regel en de kultuur zijn bijgebracht van een meer egalitaire verdeling. leder evenveel. De meeste traditionele gemeenschappen worden geleid door een staf van gelijkwaardigen die door hun “palabers” het gemeenschappelijk bezit zo rechtvaardig mogelijk gelijkelijk verdeelden. Binnen het organigram wordt een staf gesymboliseerd door een horizontale verbindingslijn. Zij komen tot besluitvorming en rechtspraak op basis van een zo groot mogelijke eensgezindheid. Hier is er geen baas die het oppercommando belichaamt. Er is wel een gezagdrager die er voor moet zorgen dat de besluiten van de staf uitgevoerd worden. Deze kollegiale lotsverbondenheid die de traditionele gemeenschappen hun sociale stabiliteit en evenwicht verleende, is op mondiaal vlak nog bijna on bestaande. Hoewel er binnen de Verenigde Naties meer en meer stemmen en acties in die richting merkbaar zijn nu de suprematie van de Groten wat begint te tanen. Getuige daarvan is de in juni van dit jaar in Brazilië gehouden VN-conferentie over Milieu en Ontwikkeling. Maar vooraleer onze planeet zich als een globaal, pluralistisch, lotsverbonden organisme zal ontwikkelen, zal er zich in ieders geest nog zo iets als een socio-culturele revolutie moeten voordoen. Onze bescheiden bijdrage daartoe kan zijn: het in praktijk brengen van een bejegeningsattitude, in onze gezinnen, in ons onderwijs, in onze ondernemingen, in onze politieke engagementen. En het doordenken en discuteren ervan. En het ‘bejegenen’ van onze lieve arme planeet, waarop alle cosmonauten – vanuit de verte – zo vertederend konden neerkijken.
(1) Hans ALDERS, Woord vooraf in (4)
(2) Gro BRUNDTLAND. Epiloog in (4) p. 233
(3) Rigoberto CHAY, De maïsmensen zijn hun goden niet vergeten, in (4) p. 30
(4) INTER PRESS SERVICE THIRD WORLD, Het verhaal Aarde, Inheemse volken aan het woord over milieu en ontwikkeling, NCOS, 1992
(5) Erich JANTSCH, The self-organizing universe, New York, Pergamon, 1980, p. 73
(6) Baher KAMAL, De Nubiërs: ze bouwden een dam en namen ons onze rivier af, in (4) p. 213
(7) Koning MOSHOESHOE 11, Terug naar onafhankelijkheid: op zoek naar hel evenwicht tussen de Afrikaanse leefomstandigheden en het milieu, in (4) p. 187
(8) Salvador PALOMINO, Drie tijden, drie ruimten in de Quechua-kosmos, in (4) p. 60
