De basisbehoefte om erkend te worden.
Een van de fundamenteelste menselijke behoeften is de behoefte aan erkenning.
F. HEGEL acht deze behoefte aanwezig zowel op tussenmenselijk als op maatschappelijk en staatkundig vlak we kunnen zeggen : zowel op het niveau van het interpersoonlijke, als op liet niveau van de socioculturele leefwereld (zoals in teams, organisaties en netwerken) ( 1 ), als op het niveau van het maatschappelijke, ethnische en staatkundige (2).Eerstens ontdekt elkeen zijn persoonlijkheid door de erkenning die men krijgt van anderen, inz. van de personen waaraan men gehecht is, zoals ouders en leeftijdsgenoten.Tweedens wil eenieder zich kunnen vereenzelvigen met een grotere socioculturele groep, gekenmerkt door een eigen taal, een eigen symbolische orde, een eigen mens- en wereldbeeld, eigen normen en rituelen. Daaraan ontleent men zijn socioculturele identiteit. Derdens strijden etnische en staatkundige samenlevingen op leven en dood om door anderen erkend te worden, zoals wij zien bij Koerden, Basken, Serven, Kroaten, Bosniërs, Palestijnen, Tjetjenen, Hutu’s en Tutsi’s en talloze anderen. Alle mensen willen ook een staatkundige of etnische identiteit.
Raamverhoudingen.
Op alle niveau’s hebben mensen het erkend worden nodig om een eigen ruimte, een eigen plek, een eigen zelfbewustzijn te verwerven. Er zijn, grosso modo, drie wegen mogelijk om identiteit en zelfbewustzijn te verwerven : als meester, als knecht, of als gelijkwaardige.
1) Een eerste weg wordt gebaand door HEGEL’ s paradigma van 0_ç._.ll_l_çt.:slcr tegenover dc_ls.ncçl1_!. De raamverhouding, de verhouding die alle verdere interacties en wisselwerkingen reguleert en omsluit, is deze van een ‘heer’, een sterkere, een expert, een manager, een hiërarchisch hogergeplaatste, een kolonisator, die de verantwoordelijkheid op zich neemt om een groeps- of organisatiebelang te behartigen, en die daarvoor erkenning vraagt. Deze erkenning wordt uitgedrukt door een hogere weddeschaal, een hogere status, een grotere bes! issingsmacht. Waar de meester niet van nature het gezag en de uitstraling heeft die spontaan erkenning oproept, daar beslaat het gevaar dat de meester die erkenning poogt te bekomen door de ander tot ‘knecht’ te maken, te bemoederen, te behandelen, te onderwerpen, te gebruiken als uitvoerder. Dit is ook de raamverhouding van het vrije marktprincipe waar de sterkere steeds sterker en de zwakkere steeds zwakker wordt, omdat bij de vrije handelsovereenkomsten de sterkere de prijs bepaalt. De onwillige knecht wordt dan door de meester klein gehouden, onderdrukt, afgedankt, de keel dichtgeknepen zodat de meester zelf als overwinnaar en als overheerser uit de strijd kan komen. Maar aldus handelende vindt de meester uiteindelijk niet de gezochte erkenning, want de knecht die hem zou moeten erkennen in zijn meesterschap, is dood of afgedankt of boos of uitgeblust. Deze raamverhouding van de sterkere t.o.v. een zwakkere is alom tegenwoordig, in opvoeding en onderwijs, in vele huwelijken, in de medische en psychiatrische wereld, in de bedrijven, de klinieken, de economie, de politiek, de films. Hun ethiek baseert zich op de verantwoordelijkheid die zij voor de anderen op zich nemen.
2) De tweede weg begint onderaan, bij de zwakke, de onderdrukte, de knecht. HEGEL beschrijft hoe, binnen deze raamverhouding van de knecht tegenover de meester, van de zwakkere t.o.v. de sterkere, de knecht tol identiteit en zelfbewustzijn vermag te komen door de arbeid waardoor hij de natuur beheerst. Hij vindt een zekere erkenning in het feit dat de meester hem nodig heeft. Dit weten de vakbonden zeer goed. De meester moet beroep doen op de menselijke, technische en geestelijke krachten van de ondergeschikten. Karl MARX had de revolutionaire idee dat de knecht-verhouding ook tot uitgangspunt en hefboom kon worden van sociale ordening. Door de onderlinge solidariteit van de ondergeschikten verwerven deze hun zelfbewustzijn en zij zetten de meester onder druk om erkend te worden. Maar echte erkenning kan niet door druk tot stand komen.
3) Dit brengt ons tot een derde raamverhouding, deze van het“‘)~çrJ:19nd _yilll_ gçJi.ikwa.irdigcn”. Jürgen HABERMAS fundeert deze raarnverhouding op wat hij noemt ‘het communicatieve handelen’ (3). De sociale ordening ontstaat en ontwikkelt zich door onderling overleg; op basis van de wederzijdse erkenning van de waarachtigheid en eerlijkheid der betrokken partijen, en op basis van de kracht van de beschikbare argumenten. Overleg en onderhandeling grondvesten zowel de interpersoonlijke als de maatschappelijke relaties. Wij zeggen dat de communicatie of de wederzijdse bejegening ‘rond’ gemaakt moet kunnen worden zodat de betrokken partners er beiden baat bij hebben, Vele managers gaan er nog steeds van uit dat zij het denkwerk moeten doen en de anderen het uitvoerend werk. Vele leerkrachten menen nog dat zij de ruwe leerstofgegevens goed didactisch moeten voorkauwen, zodat de leerlingen maar te slikken hebben.
Thans blijkt dat de progressieve ondernemingen en scholen de eerstgenoemde raamverhouding verlaten en meer heil vinden in de derde ra.uuverhouding. De jongeren en de uitvoerende krachten moeten leren om zélf permanent te leren, met veel infonnatic en creativiteit in alle hoeken van de organisatie. Willen de ondergeschikten erkenning kunnen opbrengen voor hun bovengeschikten, dan zullen deze laatsten erkenning moeten opbrengen voor de krachten en kwaliteiten van de werkvloer. Voor sommige bedrijven hangt hun voortbestaan daarvan af.
Organose.
Het gevonden akkoord verbindt de betrokkenen tot een levend, sociaal organisme. Het communicatieve handelen is, volgens HABERMAS’ omschrijving gericht op wederzijds begrip, op gezamenlijke coördinatie van het handelen en op socialisatie of sruncuwerking. Wij zeggen dal de interactionele verbindingen die tussen personen of tussen gemeenschappen ontslaan, een begin van organose zijn (4),d.w.z. dal ze de start geven aan de ontwikkeling van een georganiseerd geheel (T) waarbinnen afzonderlijke leden (0) in communicatie met elkaar (C) zich tezamen coördineren (0) tol het bereiken van een productiviteit: (M) die als inzet voor een uil wisseling met het milieu van hel organisme (E) aangewend kan worden.
Om het verhaal compleet te maken dienen we hier aan toe te voegen dat, naast de erkenning, ook alle andere momenten van de bejegening aan basisbehoeften voldoen. De mens heeft, als gesocialiseerd wezen, van nature het recht op een eigen pick en op erkenning van zijn identiteit. Maar daarenboven heeft hij recht op zijn eigen gevoeligheden, waarden en regels. Daarenboven heeft hij recht op zelfexpressie, het recht eveneens om op anderen invloed uit te oefenen, mits hij aan deze anderen hel recht geeft om naar eigen inzicht en vermogen op zijn eigen beïnvloeding te reageren. Hetgeen bij belangentegenstellingen leidt tol communicatief overleg.
,S__l,;hQjing enpermanente yonning
Het moge duidelijk zijn dal elk van deze raamverhoudingen een aantal inzichten en vaardigheden :crunclcrst.cll. Vooral de gelijkwaardige verbindingen vergen een goede communicatie- en omgangskunde,liscuxsie- en argumeuuuickundc, de vaardigheid tot samenwerking in team of ploeg, functioneel leiderschap. conflictbeheersing, een juiste partnerkeuze, constructieve en tactvolle omgang met lastige kru aktcrs, orgunis.nie-bck waamhcid. en de beschikking, in het algemeen, over een voldoende ruim gamma van relatiewijzen. Dit alles kan een mens zich niet zomaar toeëigenen met vallen en opstaan. De Vlaamse Gemeenschap deed er goed aan om op onderwijsgebied eindtermen te formuleren over ‘Sociale vaardigheden’ (5). Voor zover op volwassenenniveau ook nog heel wat sociale vaardigheden aan kwaliteitsverbetering toe zijn, mag ook bij de permanente vorming de sociale vaardigheid als prioriteit gesteld worden.
(1) Alfred SCHUTZ, The plJeno111cn<1logy oJjhe_soci:ll ~vorlcl, Londen, Heinernan, 1972
(2) A.HONNETH, The s_truggL~ (‘yr rçcognition, Cambridge, Polity, 1995.
(3) Jürgen HABERMAS, Theorie des k~->.lll!ll~JJl!~_ati_y_ç11Jlé1_11~eJn.c;, Frankfurt am Main, Suhrkamp, J 981
(4) Nand CUVELIER, Organismen, fy1e11s-mcns-W~1kl2.o_çk 03 l, sept.1985
(5) Nand CUVEUER, Annie VAN STEENE-DEBUE, Willem NAERT, Guido ORROI, Sociaal vaardig? Lieve deugd!, Brugge, Die Keure. 1996, Gids voor de basisschool
