Het woord ‘liefde’ heeft vele betekenissen. ‘Liefde’ is een verzamelnaam voor verschillende vormen van relaties die dit gemeen hebben dat ze bevredigend, stimulerend en relatiebestendigend zijn. Of het nu gaat om de liefde tussen twee verliefden, om de zorgzame liefde van ouders voor hun kinderen, om de echtelijke liefde van lotsverbondenheid, om de liefde voor het werk, om de liefde voor het eigen land, het woord ‘liefde’ suggereert dat dit allen gedaantes zijn van eenzelfde grondstroom. Er wordt ook gezegd: de liefde beweegt de hele kosmos. ‘Liefde’ betekent dan zoveel als: de vitale betrokkenheid van alles op alles, de interactie van alle energieën met elkaar en op elkaar voor zover daardoor levende processen ontstaan en zich ontwikkelen.
In zijn breedste betekenis staat het woord ‘liefde’ voor het universele levensprincipe.Daaraan tegengesteld zou het woord ‘haat’ een verzamelnaam kunnen zijn voor alle interacties die onbevredigend, destructief en dodend zijn. Zo zou dan gesteld kunnen worden dat de hele cosmos geregeerd en bewogen wordt door Liefde en Haat, door leven en Dood, door Schepping en Vernieling, door Opstanding en Ondergang, of – zoals S. FREUD het benoemde – door Eros en Thanatos. ‘Liefde’ is dus een integratief concept. Door het in onze talen te gebruiken voor op zich zeer verscheidene vormen van relatie, suggereert het woord ‘liefde’ dat er in alle als positief ervaren relaties eenzelfde kracht of energie werkzaam is. Liefde is als een grote Nijlstroom die in een brede delta uitstroomt met aan zijn delta mondingen een grote verscheidenheid van havens met namen als Eros, Passie, Minne, Agape, Altruïsme, Naastenliefde. Al die havens liggen aan dezelfde stroom die ‘liefde’ heet. Door deze taalsuggestie zijn alle relaties die als positief ervaren worden, door ditzelfde woordje ‘liefde’ in onze geest met elkaar verbonden, alsof zij voortkomen uit een gezamenlijke bron en oorsprong.
Tegen de achtergrond van deze taalstructuur kan elke vorm van liefde gezien worden als een gedaante of een verschijningsvorm van een alomvattender kracht of energie. Hoe indringender wij ons bewust worden van wat er gebeurt in de brede stroom van liefde, des te beter wij de betekenis kunnen vatten van het specifieke van elke delta-arm. En hoe vertrouwder wij raken met het leven in de afzonderlijke delta-havens, des te beter voeling wij krijgen met de dynamiek van de brede stroom.
Hechting.
In de ruimste betekenis van het woord, verwijst liefde naar een onderlinge verbondenheid waarbij een mens zich hecht aan datgene wat hij liefheeft.Deze hechting, met een geleerde term cathexis genoemd, is misschien het meest fascinerende en raadselachtige in de liefdesrelatie. Het is tezelfdertijd een aktief zich hechten als een passief gegrepen worden. De hechting is een geboeid raken in de bejegening, een bejegening waardoor men betrokken raakt op iets of iemand, en waarbij men er zich ook zelf mee verbindt. Dit wordt duidelijk wanneer wij de hechting ontleden in haar verschillende momenten. Stel dat mijn oog of oor getroffen wordt door een popgroep op een podium, stel dat mijn gehemelte in contact komt met een bepaald merk van bier of wijn of frisdrank (waarneming), en stel dat deze stimuli mij bevallen (gewaarwording), dan zal ik makkelijk geneigd zijn (optie) om aldus te gaan handelen (handeling) dat ik deze stimuli nogmaals kan ontmoeten (waarneming) om dezelfde bevrediging te ervaren (gewaarwording). Meer nog, als ik deze stimuli niet spontaan ontmoet, dan besluit ik (optie) ze te gaan opzoeken (handeling), tot ik ze opnieuw gevonden heb (waarneming).
Omdat de stimulus zo bevredigend is, zal er geen andere soortgelijke gezocht worden. Daardoor wordt hij beleefd als ‘enig, uniek, bijzonder’. De hechting is nu ontstaan. Zij zal zich nog verstevigen door een optie van exclusiviteit: ‘dat waar ik van hou is exclusief voor mij bestemd’. Zo wordt de hechting tot iets strikt persoonlijk: ‘ik hou er van, anderen misschien niet, maar ik wel!’ De bejegening is immers een strikt persoonlijk proces waardoor een mens zich in zijn totaliteit in bewogenheid en in beweging voelt komen. Rationele redenen geven de doorslag niet. Daarom gaat onder mannen het gezegde rond dat er over smaken, kleuren en vrouwen niet gediscussieerd kan worden. En vrouwen zullen ook wel zeggen dat er over preferenties voor smaken, kleuren en mannen niet met het verstand alleen gepraat kan worden. ·
Want meer nog dan door popgroepen of dranken of kledij kan een mens gefascineerd raken door een medemens. Een oogopslag, de intonatie van een gesproken woord, een gebaar, een onvatbare menskwaliteit kunnen ons hart ontroeren zodat men het harder voelt slaan. Men raakt er door gegrepen of betoverd. Het maakt energie vrij, het geeft levenskracht. Men raakt er door gebiologeerd. Men kan het hoofd niet afwenden. Onze blik, onze aandacht, onze gehele bejegening gaat zich hechten aan deze persoon. Men gaat geheel op in deze kortstondige ontmoeting met deze persoon, en men wil ze zo mogelijk continueren en bestendigen. Men raakt er aan verkleefd. Liefde is het innige en diepe gevoel waardoor een hart in vuur en vlam geraakt voor iemand waaraan het zich hecht en waardoor het nog harder gaat kloppen. In deze bejegening is een tweeledige ordonnantie merkbaar: enerzijds is er een ‘ik’ dat zich hecht en toewijdt aan een ‘jij’, anderzijds is er een ‘jij’ dat het ‘ik’ beroert en vervult. Door dit onderscheid deelt de brede stroom der liefde zich op in een eerder jij-gerichte en een eerder ik-gerichte liefdesbeleving. Wij zullen deze twee liefdesgedaantes bespreken onder de respectievelijke hoofdingen van vervuldheid en verliefdheid.
A. Verliefdheid.
Als wij de stroom die Liefde heet tot in zijn verre bronnen mogen exploreren, dan vinden wij bij dieren en insekten verre voorlopers van fenomenen die zich ook bij verliefdheid voordoen. Termieten b.v. raken elkaar voortdurend aan met hun antennes. Door dit contact zijn zij bedrijvig, gesocialiseerd, goed functionerend. Worden zij van dit contact weggehouden, dan worden zij agressief en zinloos drankzuchtig(6). Bij de menselijke verliefdheid wordt een gelijkaardige beleving vastgesteld. Het aanraken van elkaars huid doet een trilling door het lichaam gaan. Het geeft een enorme kik. De vonk slaat over. Het elkaar bekijken of zoenen of aanraken heeft iets van een elektrisch potentiaal dat overslaat van de ene op de andere. Staan wij ons een analogie toe met de fysika, dan kunnen wij dit fenomeen vergelijken met de resonantie tussen oscillatoren, waarbij de ene oscillator, praktisch zonder enige energie-overdracht, de andere oscillator stimuleert om ieder zijn eigen ding te doen (6). Alle menselijke vermogens worden binnen deze bejegening geactiveerd. De mens wordt m.a.w. in zijn totaliteit aangesproken, en hij betrekt ook zichzelf volop in deze bejegening. Hij kan zelfs in de ban raken van deze kringloop. Hoe bevredigender de stimuli zijn, des te vuriger wordt de zoektocht ernaartoe.
MATURANA beschrijft aan de hand van dit resonantie-concept het speciaal soort kommunikatie waardoor een organisme binnen zijn eigen activiteit gestimuleerd wordt door voor zich of naast zich een gelijkaardig organisme in werking te ontwaren (6). Er moet geen belangrijke overdracht van energie of informatie gebeuren. Het volstaat dat het organisme, door een of ander kontakt, weet krijgt dat er een soortgelijk organisme in de buurt opereert. Het andere organisme moet ons voor de geest staan. Het moet ons onder ogen komen. Dit is misschien de reden waarom bij de erotische verliefdheid de esthetische waarneming zo belangrijk is, niet de diepgravende communicatie. De resonantie is dus een zelfactivering (ik-gericht) die tot stand komt doordat men op dezelfde golflengte gaat meetrillen met een ander zichzelf activerend wezen. Iets analoogs werd wetenschappelijk geobserveerd bij de lichamelijke communicatie tussen een paranormaal begaafd genezer en diens patiënt. Toen hij zich concentreerde om intuïtief voeling te krijgen met de patiënt, waren zijn met EEG-apparatuur gemeten hersengolven gedurende een aantal seconden exact gelijk aan deze van zijn patiënt (6). De genezende herschikking van de patiënt gebeurt dus door een resonantie met de genezer. Talloze levende organismen communiceren op deze wijze met elkaar. Dit werd o.m. aangetoond in de metabolische communicatie, waar door middel van hormonen de lokale processen gestimuleerd en gekatalyseerd worden (6). Wij verwonderen er ons dan ook niet over dat ook tussen mensen die zichzelf-organiserende dynamieken van de ene persoon geactiveerd worden door een resonantie met een andere persoon.
De sociologe-seksuologe Marianne DERKS definieert liefde als ‘een samenspel waarin beide partners op hun best naar voren komen’ (4). Dit verwezenlijkt zich vooral bij resonantie. Door de tegenwoordigheid van de liefde word ik doorzinderd, en deze doorzindering neemt toe naarmate ik hetzelfde fenomeen bij de partner waarneem. Ik neig naar grotere hechting naarmate ik zie dat de partner zich aan mij wil hechten. Resonantie kan zich op velerlei golflengten voordoen maar is gebaseerd op een ervaring van gelijkgesteldheid: dezelfde intuïtie, hetzelfde gevoel, een gelijklopende aspiratie, dezelfde idee, hetzelfde verlangen. Binnen een relatie is de resonantie misschien op zijn sterkst als er eenzelfde biologische en lijfelijke komponent in meespeelt: eenzelfde seksueel opwindingspatroon, gelijke huidpotentialen of zo iets, een zeer gelijkende lichaamstonus, een gelijk-besnaardheid, resonerende hersengolven, of een sterk op elkaar gelijkende bezenuwing. Iets waardoor partners voor elkaar een lont zijn die het eigen kruidvat tot explosie en overweldiging brengt.
Ik treed de psychiater Mark NEVEJAN bij waar deze aangeeft hoe bij elke relatietherapie ook een verder niet bespreekbare biologische aantrekkelijkheidsfactor meespeelt (9). Partners kunnen in hopeloze misverstanden en in een adembenemende machtsstrijd verwikkeld zijn, zij kunnen elkaar misbruiken of verkrachten, als zij daarnaast toch lekker met elkaar kunnen vrijen, dan juich ik in mijn hart. Want dan kennen zij uit ervaring deze erotisch-seksuele resonantie. En dit geeft een diepe relatie-bevrediging. Daarop kan verder gebouwd worden. Het is moeilijker wanneer partners deze resonantie pas voor het eerst in hun leven ervaren buiten hun vaste relatie. Ja, verliefdheid wekt vlinders in de buik. Resonantie wekt diepsluimerende levensvitaliteit in mezelf. Een zusterziel ontmoeten doet zelfs een dode herleven. De mens ontdekt zijn eigen mogelijkheden eerst buiten zichzelf. Hij moet, door iemand anders belichaamd, zijn eigen mogelijkheden eerst buiten zichzelf zien verschijnen vooraleer hij er kan in geloven dat ze echt bestaan, dat ze levensvatbaar zijn. De adolescent of volwassene dacht zichzelf te kennen. Maar diens diepere kwaliteiten waren nog ongevormd en onbewust gebleven. Door deze kwaliteiten voor onze ogen te zien verschijnen, raken wij er als bij toverslag door geëlektrocuteerd. Door een oogopslag kunnen mensen op elkaar verliefd worden. Men krijgt bij deze ‘unieke’ persoon diepere persoonskwalitelten in het vizier waarmee men onmiddellijk meetrilt. Niet omdat er meteen een formidabele energiestroom overgedragen wordt van de ene naar de andere, maar omdat men bij deze één-uit-de-duizend op slag in voeling komt met de eigen alsnog onbewust gebleven vitaliteit.
Laat de psycholoog dit alles projectie noemen. Verliefdheid – zegt Alfons VANSTEENWEGEN – is een oogziekte waardoor men de partner ziet zoals men die partner wenst'(12). Verliefdheid zou dan eerder een illusie zijn. Zij is integendeel een openbaring, via resonantie, van de eigen creatieve levenskracht. Maar zij is wel blind. Zij betrekt zich aanvankelijk niet echt op datgene wat bij de partner anders is.
De erotische en de platoonse verliefdheden zijn resonanties op basis van gelijkheid en gelijkgestemdheid, en deze wordt makkelijk geïdealiseerd. Maar de resonantie is niet illusoir en kan een leven lang de bron en draagkracht zijn van een relatie. Vanuit de natuur en de struktuur hiervan is deze liefde wederkerig. De symmetrie en wederkerigheid ervan geeft aan de relatie stabiliteit en evenwicht.
Binnen het kader vfm de axenroos gesitueerd, voelt diegene die verliefd is zichzelf openbloeien en voelt zich uitgenodigd om zich kenbaar te maken en zich weg te schenken (zie 116 A 21 en 863: PERSOON GEVEN). Ben je op iemand verliefd, dan merk je hoe deze persoon het beste in jou naar voren haalt. Deze persoon is een goed klankbord voor jouw plannen en ideeën. Je krijgt vlug het gevoel dat deze persoon je goed begrijpt. Deze geliefde geeft jou het gevoel waardevol en speciaal te zijn. Je kan je intiemste gevoelens aan deze persoon meedelen, in volle vertrouwen dat je daarin gerespecteerd wordt.
Kortom je kan volop ‘jezelf’ zijn.
Eros.
Erotiek ligt in het verlengde van de verliefdheid. De eros is de liefdesgedaante waarbij de verliefde op een intense wijze opgaat in de bejegening, zichzelf op intieme wijze psychologisch bloot geeft, en zich vooral ook lichamelijk expressief tot uiting brengt (7). De resonantie situeert zich vooral op somatisch-affectief nivo als een totale lichamelijke vitalisering. De minnaar of minnares voelt zich vol energie, opgewonden, intens blij, seksueel zeer aanspreekbaar, alert, zacht, vol vertrouwen. Eros is dus de verliefdheid die zichzelf bewust wordt als een totaal en lijfelijk gebeuren. Het is een resonantie met de ander van huid tot huid. Een zoen van mond tot mond. Het erotische verlangen wordt des te sterker beleefd naarmate de geliefde onbereikbaar is en de bevrediging der nabijheid wordt uitgesteld.
Hartstocht en passie.
De eros wordt tot passie wanneer ze als een alles verterend verlangen naar de geliefde, deze ervaart als ‘anders’, als mysterieus en ongrijpbaar. Aan de passionele verknochtheid ligt een angst ten grondslag en een wanhopig voorgevoel dat men de geliefde zal verliezen. Men vindt de geliefde ~ekirne.e.l zeer aantrekkelijk. Men wil steeds in diens nabijheid vertoeven. Men zit er de hele tijd mee in zijn hoofd. Jaloersheid en de dreiging van ontliefdheid brengen grote spanning binnen een belevenis van vrijheid, excitatie en diepe vreugde. Deze passionele liefde wordt gebaard in pijn. Een diep lijden is er dan inherent. De onrust van de onmogelijke vervulling drijft het geobsedeerd zijn door de liefde ten top.
De diepte van de liefde lijkt er afgemeten te worden aan de emotionele hartstochtelijkheid ervan. De bereidheid van de verliefde om ontberingen, afstand, pijn, wanhoop door te maken ten bate van de hechting, lijkt een bewijs te zijn van de dramatische grootsheid ervan (10).
Afhankelijke liefde.
Daar de geliefde ervaren wordt als de grote stimulus van mijn eigen vitale resonantie, is het begrijpelijk dat ik er mij afhankelijk van ga voelen. Hoe meer ik leef op basis van resonantie met de ander, des te meer ik er aan verslaafd raak. Ik kan niet meer zonder de geliefde. De geliefde moet voor mij tegenwoordig zijn, moet trillen van liefde, zodat ik zelf daardoor doorzinderd word met warmte, opgewondenheid, leven.
De stap naar het leggen van een claim op de ander is niet ver af. Vanuit mijn afhankelijkheid zeg ik: ‘De ander moet mij gelukkig maken’. Ik moet de ander er toe brengen mij gelukkig te maken. Het is een onvrije en onvrij makende gedaante van de liefde. Toch is het een veel verspreide gedaante van wat liefde wordt genoemd. De ander wordt naar mij toegezogen, zodat ik er mij kan aan hechten. Want de ander is ‘mijn leven’ en daar wil ik vat op hebben. Zinnetjes als: ‘Ik kan niet zonder jou’, ‘Ik wil jouw nabijheid, jouw aandacht, jouw warmte’, ‘Jij moet mijn geborgenheid zijn’, zouden blijken van liefde moeten zijn, maar zijn in feite tekenen van verslaving. Een verslaving die ook de partner onvrij maakt. Deze voelt zich gemanipuleerd. Daar de verantwoordelijkheid voor het geluk van de verliefde gelegd wordt op de schouders van de geliefde, zal deze daar onder gedrukt gaan. Als de geliefde onvoldoende nabijheid of aandacht of tederheid geeft, dan zal de verliefde ongelukkig worden, en dat wil men de partner niet graag aandoen. Zo komt het dan dat de geliefde zich in bochten kronkelt om toch maar aan de verlangens van de verliefde te voldoen. Maar deze voelt alras het onspontane ervan. Twijfel rijst, achterdocht, wantrouwen. ‘Zeg toch dat je mij graag ziet!’ Door deze claimende aandrang verlamd weet de geliefde niet meer wat te zeggen zonder een beetje te liegen.
Liefdesspelletjes.
Er zijn ook gedaantes van verliefdheid en eros zonder vaste hechting. Voor sommigen is de liefde een spel, een liefdesspel. Hel spel bestaat er in om telkens het frisse en in pal mende van de liefdevolle bejegening te ervaren zonder zich aan iemand vast en blijvend te hechten. In zijn beschrijving van diverse liefdesgedaantes (7) geeft LEE aan dat men zich bij deze speelsheid der liefdesuitingen juist tot zoveel mogelijk partners wendt. Bij de ene zal de eigen resonantie al boeiender zijn dan bij een ander. Een diep betrokken raken op iemand is er niet bij. Opvallend is dat de verliefde zich zelden psychologisch bloot geeft aan de geliefde. Men ontwijkt elke te kwetsbare betrokkenheid. In zekere zin is dit soort spel, in tegenstelling tot de warme gepassioneerdheid, een koel gebeuren, met innerlijke distantie gespeeld, zonder pijn afgebroken. Met de gedaantes van passie, liefdesspel en afhankelijke liefde zijn wij gekomen aan de mondingen van een delta-rivier die eros heet en die ontstond bij de tweedeling der liefde in enerzijds de verliefdheid en anderzijds de vervuld heid. Een overzicht van de liefdesdelta laat zien dat wij ons tot nog toe begeven hebben op de rechter arm van de stroom. Wij zullen taris de linker stroom bevaren. Daarbij houden wij voor ogen dat doorheen alle vertakkingen eenzelfde water stroomt. De ene liefdesgedaante kan aansluiten bij of overlopen in een andere liefdesgedaante. In één gedaante die meer geprononceerd op de voorgrond verschijnt zijn alle andere gedaantes ook in kern aanwezig. Dit maakt de liefde zo boeiend, zo onuitzegbaar complex, zo wezenlijk simpel.
B. Vervuldheid en minne.
Met de term vervuldheid pogen wij de liefdesgedaante te karakterizeren waarbij de verliefde de ander ziet en benadert om die ander zelf. Het resonantieconcept, waarbij het ‘ik’ gaat leven doordat de ander als stimulus daartoe aanwezig is, is hier niet meer toepasselijk. Het is eerder zo dat het ‘ik’ verdwijnt omdat het eigen bewustzijn geheel vervuld wordt door de ander. Het ‘ik’ wordt niet gevitalizeerd, het lost zich eerder op, en ruimt de plaats in voor de ander. Voor zover het eigen bewustzijn zich nog uitspreekt, zegt het dat het vervuld is door de ander. Deze liefdesgedaante is meer jij-gericht dan ik-gericht.
In onze Vlaamse veertiende-eeuwse literatuur vinden we zeer uitgebreide beschrijvingen van dit soort liefdesbeleving. Een mystikus als Jan VAN RUUSBROEC (1293-1381), dit jaar juist zeven eeuwen geleden geboren, kon op basis van zijn ervaringen met een verbazende trefzekerheid de elkaar opvolgende fazen beschrijven van wat wij vervuldheid noemen. De opeenvolging ervan vervoegt van zeer nabij de ordonnantie van de bejegeningskringloop. Als eerste moment wordt vernoemd de ‘opgang’. Hier is de mens zelf aktief.
Hij wendt zich tot degene waar hij van houdt. Hij gaat er naartoe. Hij zoekt contact. De zelfwerkzaamheid van de mens maakt dat de mens gericht wordt op andermans tegenwoordigheid en dat hij die ander opvordert (beïnvloeding). Dan sta ik als mens voor andermans ’tegenwoordigheid’ die, onafhankelijk van mijn eigen werkzaamheid, geheel zelf-standig voor mij staat. De ander wordt, naar de etymologische betekenis van het woord ’te-jegen-worde’ d.w.z. aan de grens van mijn eigen territorium aanwezig wordend. In de ‘ontmoeting’, zoals RUUSBROEC het beschrijft, sta ‘ik’ niet meer voor de geliefde; de geliefde zelf is daar, zozeer zichzelf, zo anders, dat ikzelf uit mijn eigen ervaring verdwijn (8). De ontmoeting in liefde is de innerlijke houding van volledig respekt voor andermans eigenheid en van diepe erkenning voor andermans tegenwoordigheid.
De ontmoeting in liefde is beeldeloos. De verliefde vindt geen woorden om andermans tegenwoordigheid te beschrijven. Omdat de geliefde nooit herleid kan worden tot het beeld dat wij er in ons eigen ‘ik’ van maken. Het is juist dit diepe besef van de nietomvatbaarheid en de niet-benoembaarheid van de persoon van de geliefde dat maakt dat het ‘ik’ er zich niet aan waagt om het ‘jij’ te gaan beschrijven in termen van ikkigheid. Heinrich BÖLL laat de clown zijn liefde tot zijn vrouw aldus verwoorden: ‘Jij bent ‘jij’. ‘lch weiss nicht ob man einer Frau etwas netteres sagen kann’ (2). Na de ontmoeting komt het ‘genieten’, het zalige gevoel door de ander vervuld te worden. Deze gewaarwording kan dusdanig overspoelend zijn, dat het ‘ik’ geheel uit de gewaarwording verdwijnt om plaats te maken voor de indrukken die vanwege de geliefde op mij afkomen. Niet mijn eigen energie gaat trillen, het is andermans energie die toegang tot mij krijgt. Het is een wezenlijke vernieuwing van mezelf. Er voltrekt zich in mij een ver-ander-ing, het ‘ik’ wordt tot ‘ander’, het ‘ik’ ver-andert. Ikzelf ben uit mijn ervaring verdwenen. Mijn bewustzijn wordt helemaal door de ander ingenomen. In de ‘vereniging’ wordt het ‘ik’ dusdanig van de geliefde vervuld, dat het zichzelf alleen nog maar beleeft als de plek waar de ander zich kan verwerkelijken. Datgene wat van buiten mijn bewustzijn op mij afkomt, verschijnt voor mij als de wezensgrond van mijn eigen bestaan. De geliefde is mijn grotere ziel die mij benadert en mij vervult en mijzelf maakt tot wat ik nog niet was. De vervuldheid is een radikale jij-gerichtheid waarbij het ‘jij’ mij tegenwoordig wordt als diegene die mij mijn zelfheid geeft. Mijn ‘ik’ wordt daarbij ervaren als een schepping door de ander, door de geliefde. Ik ontvang mijn zijn vanuit de liefdesontmoeting doordat de geliefde mij vervult met datgene wat mij ontbrak om er werkelijk te zijn. Ik was mezelf nog niet. De geliefde is het die als een betere zelf in mij komt wonen en die mij bezielt. Volgens dit vervuldheids-concept is de menselijke persoon, naar de diepzinnige definitie van Richard VAN SINT-VIKTOR (8), in wezen een ‘ex-sistentia’, een persoon wiens diepste grond er in bestaat om buiten (ex) zichzelf te staan (sistentie), opgaande in een relatie tot de ander. Een zoon of dochter is zoon of dochter vanuit een relatie-betrokkenheid op de ouders. De zoon is des te meer zoon naarmate hij zijn eigenheid als zoon prijsgeeft in louter gerichtheid naar de ouder (8). Zo komt in de liefdesvereniging de liefhebbende tot zijn eigen, diepere wezenheid naarmate hij zich verliest in de geliefde. Klampt hij zich vast aan zijn eigen energie, dan verschraalt hij tot een individu dat in zijn wezenlijke grond steeds afgescheiden blijft van de anderen, afgescheiden dus van het leven. De geliefde trekt mij uit mijn ikkigheid weg en bevrijdt mij aldus uit de opgeslotenheid van mijn egocentrisme.
Tenslotte word ik dermate een persoon die zich vereenzelvigt met de andersheid van de ander, dat ik een ‘eenheid’ mee vorm. Niet ik handel, maar de ander handelt in mij, door mij. Ik beleef me als het instrument in de hand van de ander. Wij zijn één. Het is als de zoon die het werk voortzet van de vader, of als de dochter die aan haar kinderen het leven doorgeeft van haar moeder. In het gedrag van de door liefde vervulde ziet men de geliefde aan het werk. Een vrouw die van haar man vervuld is, straalt overal diens geest uit. Een man die van zijn vrouw vervuld is, zet onbewust overal haar signatuur. En juist daardoor zijn zij wat ze op hun eentje niet kunnen zijn, nl. echte vrouw en echte man, echtgenote en echtgenoot. Een mens wordt pas tot mens wanneer hij van een ander is vervuld. .
Begrijpelijkerwijze is, binnen de axenroos gesitueerd, de liefhebbende ontvankelijk voor andermans persoon-zijn (zie 116 A22 en 864: PERSOON AANNEMEN). De liefhebbende wil de geliefde leren kennen in de diepte. Hij laat er zich door inspireren, gaat er in op, legt zijn oor te luisteren aan het hart van de geliefde. Hij wil er zich mee vereenzelvigen, d.w.z. zijn ware zelfheid vinden door zich te laten opgenomen worden in een eenheid met de ander.
Vergelijken wij verliefdheid met vervuldheid, ik-gerichte resonantie met jij-gerichte vereenzelviging, dan ontdekken wij een tweestromenland van liefde. Volgens de meest gangbare wijze van denken en spreken over de liefde verhoudt het bewustzijn van het subjekt zich tot degene die het liefheeft als tot een objekt dat benaderbaar, beïnvloedbaar en kontroleerbaar is. Door er zich aan te hechten kan het ‘ik’ zijn eigenheid voelbaar verstevigen. ‘Ik heb je graag’. ‘Ik hou van jou’. ‘Ik heb je zo nodig’. ‘Zonder jou kan ik niet leven’. De liefde heeft een doel en haar verlangen heeft een objekt (5). Men wil door de geliefde gelukkig gemaakt worden. Volgens de liefde van vervuldheid verdwijnt de ik-term uit het denken en spreken. Het bewustzijn van de liefhebbende verhoudt zich tot de ander als tot zijn eigen wezensgrond. De liefhebbende wil de ander niet aan zijn kontrole onderwerpen. Hij vertrouwt de ander meer dan zichzelf. Of hij vertrouwt er ten zeerste op dat hij pas zichzelf kan worden door het respekt- en liefdevol bejegenen van de ander.
Agapè.
De term agapè werd gebruikt door de eerste christen en die daarmee een houding van zelfonthechte liefde beoogden. Deze ligt in het verlengde van de hoger beschreven vervuldheid. Het is de liefdesgedaante waarbij men vooral om de ander geeft. Men is gericht op diens levensontplooiing. ‘Ik huw met je omdat ik hoop dat ik jou gelukkig kan maken’. De agapè is een onvoorwaardelijke liefde. Zij zegt niet: ‘Ik zie je graag als je mooi bent, als je lief bent, als jij mij gelukkig maakt, als jij mijn verlangens voldoet, als … als .. Zij zegt: ‘Ik zie je graag, zoals je bent, met je kwaliteiten, en met je hebbelijkheden’. De agapè stelt geen voorwaarden. De eerste kristenen zeiden van God dat Hij vol agapè is voor de mensen; God eist niet van de mensen dat zij zijn agapè verdienen noch dat zij volmaakt zouden zijn om door Hem bemind te kunnen worden. De eerste christenen geloofden dat, volgens hun Godsbeeld, God de mens liefheeft om zichzelf, ook waar de mens egoïstisch of haatdragend is. Het is een liefdesvorm die in de profane cultuur van de eerste eeuwen onbekend was, en waarvoor, aldus Anders NYGREN (11), de christenen een nieuw en geëigend woord gebruikten. De agapè die de kristen en onder elkaar tot ontwikkeling brachten kunnen we nog best vanal vergelijken met de liefde van de ouders naar hun kinderen: zij blijven boven alles van hun kinderen houden, ook al zijn deze ondeugend of opstandig.
Altruïsme.
De jij-gerichtheid die wij ontdekken in de agapè kan zich uiten in daden van gedienstigheid, hulpvaardigheid en bezorgdheid. Altruïsme is vooral gekenmerkt door diensten hulpbetoon ten bate van anderen. Is men bereid om tijd en energie te besteden voor de behartiging van de belangen of wensen van de partner, zonder daarvoor een wederdienst te verwachten, dan handelt men altruïstisch. Altruïsme vergt dus onthechting van eigenbelang en gerichtheid op andermans belang. Zijn we in een altruïstische bui, dan vinden we het gewoon leuk om iets voor een ander te doen, zonder dat daarvoor iets terugkomt. Is altruïsme een grondhouding, dan zijn we over het algemeen meer gericht op de bevrediging van andermans verlangens dan op bevrediging van onze eigen verlangens. In de axenroos gesitueerd krijgt deze liefdesgedaante vorm in de ax van het GEVEN van GOEDEREN en DIENSTEN (zie 862): een geschenk geven, dingen uitlenen, zorgen voor kleding en voedsel en voor alle andere levensbehoeften, de partner helpen, bijstaan, knuffelen, masseren, verplegen en koesteren. En dit alles gratuït, omdat men van de partner houdt, omdat men haar of hem de moeite waard vindt om voor te zorgen. Men doet de partner graag een plezier. Men maakt het haar of hem graag naar de zin.
Deze altruïstische liefdesgedaante brengt geborgenheid in de relatie, veiligheid en vertrouwen. Vermits er een groot stuk onvoorwaardelijkheid aan ten grondslag ligt, wordt ze door een ruzie niet ongedaan gemaakt. Op een altruïstisch persoon kan men rekenen in nood en moeilijkheden.
Opoffering.
Onder invloed van het kristendom is men de altruïstische naastenliefde niet alleen als ideaal maar ook als norm gaan stellen. Wie zich tot altruïsme laat verplichten, van buitenuit of van binnenuit, is een gemakkelijke prooi voor uitbuiters en profiteurs. Moeders of vaders laten zich dan leegzuigen door inhalige kinderen, echtgenoten laten zich verknechten tot slaven of slavinnen van de partner. Gezond altruïsme blijft vrij om te doen en te laten wat het zelf wil. Het laat zich enkel leiden door de nood of het verlangen van de partner, nooit door diens claim of diens eis. Menigeen die door een ideaal van altruïsme gestimuleerd, zijn leven ten dienste stelde van anderen, dient er op te letten dat hij daardoor de partner niet tot een goedgediende pacha maakt. ‘Veel té goed is half zot’ zei Tijl Uilenspiegel. Wie zich in zijn altruïsme door de partner onvrij gemaakt voelt, is aan een stukje emancipatie toe.
C. Lotsverbondenheid.
Zijn de ik-gerichtheid van de verliefdheid en de jij-gerichtheid van de vervuldheid niet met elkaar te verenigen? Is er niet zo iets als een liefdesgedaante waarbij een gezond egocentrisme en een gezond altruïsme hand in hand kunnen gaan? Uiteraard. De mens zou niet creatief zijn als hij ook niet deze liefdesgedaante had uitgeprobeerd. En zij is bovendien nog levenskrachtig ook, ja misschien is zij zelfs de enige gedaante die onder alle omstandigheden beide betrokkenen kan blijven voldoen. Wij geven er de naam aan van lotsverbondenheid.
Lotsverbondenheid is best te definiëren als een relatie van co-autonomie waarbij de beide partners elkaars zelfstandigheid en zelfredzaamheid bevorderen en waartoe de sterkere de zwakkere bijstaat en helpt.
Co-autonomie en vriendschap.
De lotsverbondenheid ontwikkelt zich gaandeweg, stap voor stap, tot een wisselwerking tussen twee autonome, op zichzelf staande wezens, die zich op elkaar betrekken om juist door middel van deze wisselwerking én de eigen belangen én de belangen van de partner te behartigen. De liefdesgedaante wordt hier tot een langzame constructie van een brug-verbinding tussen twee afzonderlijke pijlers waarbij ieders autonomie beiden voortdurend voor ogen blijft staan. Dit is ook de basisstruktuur van de hechte vriendschap.
Ik sta als pijler aan deze zijde van de stroom. Jij staat aan de overkant. Wij staan niet om het even waar, maar tegenover elkaar. Want wij hebben elkaar nodig voor het opbouwen en behouden van onze eigen pijler. Dit is een facet van ik-gerichtheid. Wij zullen elkaar, vanuit een jij-gerichtheid, niet wederzijds behelpen als jij en ik niet voorafgaand, ieder aan zijn eigen kant van de stroom, zijn eigen pijler is, met zijn eigen struktuur en zijn eigen architektuur, zelf-standig staand op eigen bodem. Ik zal niet dulden dat jij praat over mij en in mijn plaats. Jij zal niet dulden dat ik praat over jou en in jouw plaats.
Wij kunnen dialogeren. Uit zelfrespect zal ik pogen te zeggen wat ik te zeggen heb. En kijkend in jouw ogen zal ik jouw boodschap horen als iets dat wél bij jou en niet bij mij moet horen. Tussen jouw pijler en mijn pijler stroomt de wispelturige stroom van het leven. Het is in die ruimte tussen ons in dat ieder van ons beiden zijn vrijheid creëert. Vanuit ons beider autonomie gaan wij, als gelijkwaardige partners, dingen uitwisselen onder elkaar, materiële en immateriële dingen. Grote dingen, kleine dingen, gaande van een kostbaar geschenk tot een bloemetje en tot de intiemste van onze gedachten.
Wij brengen dit alles aan elkaar over en nemen dit van elkaar aan tot hechtere uitbouw van onze eigen pijler en va: I de pijler aan de overkant. Elk van beide partners beschouwt de ander als zijn gepriviligieerde ‘omgeving’ van waaruit hij de voeding, de informatie, de energie, de warmte betrekt die nodig is om zijn eigen leven te behouden en te ontwikkelen. En ook nog om dat leven door te geven aan een volgende generatie. Volgens de socio-bioloog zoekt de vrouw ergens in haar omgeving een gezonde mannelijke zaadcel om haar te bevruchten. De man zoekt ergens een moederschoot waar zijn zaadcel behoed en gevoed zal worden. leder denkt daarbij aan het kind als aan ‘mijn’ kind. Binnen dit soort relatie van co-autonomie bestaat een groot deel van de menselijke geluksvervulling in het vrij en autonoom zijn eigen pijler zijn, daarin bevrucht, gevoed, uitgedaagd, gestimuleerd door een andere pijler die ook zichzelf durft te zijn aan de overzijde van de stroom.
Vele antropologen en sociologen, en vele jongeren en huwelijkspartners met hen, verdedigen de stelling van AXELRODT (1) dat elke gezonde relatie een soort ruilcontract is waarbij én gegeven én genomen wordt voor ieders eigen bevestiging en bevrediging. De kunst is om de kosten en de baten wat in evenwicht te houden, en om niet in een té eenzijdige, asymmetrische uitwisseling terecht te komen.
Het gevaar is immers niet denkbeeldig dat de sterkere het laken naar zich toetrekt en de zwakkere kolonizeert, met zijn eigen verwachtingen bezet en aan zich onderwerpt. Of de te altruïstische partner laat zich inzuigen in de belangenwereld van de andere, door te gaari leven binnen het levensverhaal van de niet-altruïstische partner. De relatie die start op basis van co-autonomie draagt in zich het inherente gevaar dat de sterkere sterker en de zwakkere zwakker wordt. Na verloop van tijd treedt een breuk op of een scheiding: de sterkere vindt geen voeding meer bij de zwakkere, en de zwakkere wil uit lijfsbehoud van onder de kolonizeringsdruk weg. De enige uitweg is deze van lotsverbondenheid, een liefdesvorm waarbij tussen autonome partners de verbintenis wordt aangegaan om mekaar bij te staan in lief en leed, in goede en kwade dagen. Is de ene zwakker, dan zal de sterkere deze zwakkere bijstaan en helpen. Doorheen de levensloop en de wisselende omstandigheden kan nu eens de ene sterker, dan weer eens de andere sterker zijn.
Hoe gaan bruggebouwers te werk? Om stevigheid aan het bouwwerk te geven, bouwen ze midden in de stroom een derde pijler. De metafoor van een brug op drie pijlers moge illustreren dat mensen die zich aan elkaar in liefde hechten, deze verbinding kunnen beschouwen als de co-constructie van een werkelijkheid die niet deze van de éne pijler noch deze van de andere pijler is, maar die opgebouwd wordt door wat zij van hun kant ‘in de gemeenschap’ inbrengen. Deze derde pijler is wat zij, tussen hen in, met gezamenlijke inzet, tot iets gemeenschappelijks maken.
Wederzijdse bijstand.
Het door de samenleving bevestigde huwelijk is een kontrakt van wederzijdse bijstand. Vrouw en man kunnen bij het aangaan van hun huwelijk hun materiële bezittingen wél of niet in de gemeenschap brengen. Zij kunnen dat ook met betrekking tot allerlei andere, ook immateriële, goederen en diensten, informatie, energie, gedachten, gevoelens, plannen en belevenissen. De gemeenschappelijkheid is iets waaraan gebouwd wordt. leder van beiden-brengt van zijn kant steentjes bij tot de bouw van de gemeenschappelijke middenpjjler; En deze steentjes moeten passen op of onder of naast het steentje dat van de overkant wordt aangedragen. Dit vergt een hoop sociale en communicatieve vaardigheden, dialoog, discussie, overleg en afstemming op elkaar. Het verschil met een louter co-autonomie is hierin gelegen dat de interaktie niet meer leidt tot een bevrediging van de ene pijler of de andere pijler, maar tot een gezamenlijke bevrediging van de ene en de andere. Elk van beiden offert een deel van zijn individuele autonomie en verwerft daardoor de deelname aan een organisme van een hogere orde. De brug op d(e pijlers vormt in zijn geheel ten overstaan van zijn omgeving een rijkere, sterker qeorqanizeerde struktuur dan de struktuur die eigen was aan de twee beide pijlers met een sterker, breder, draagkrachtiger geheel. De afzonderlijke pijler kan grotendeels zijn eigen autonomie behouden en verstevigen, maar hij wordt verrijkt en uitgebreid, in gemeenschap met de andere pijler, tot een nieuwsoortige, gezamenlijke autonomie. Naast zijn pijler-zijn is hij ook brug geworden. Deze gezamenlijkheid brengt ook lotsverbondenheid met zich mee. Beider lot is door het gezamenlijke aan elkaar verbonden. De zwakkere kan terugvallen op de gemeenschap, die vooral door de sterkere gedragen wordt. Binnen een langer durende liefdesrelatie weet men nooit vooraf wie in bepaalde levensfazen de zwakkere, de zieke, de vermoeide, de gehandicapte kan worden. Deze gemeenschappelijke lotsverbondenheid werkt dus voor beide pijlers als een soort bijstandsverzekering. Volgens onze huwelijkswet zijn gehuwden elkaar bijstand verplicht.
Deze middenpijler van de brug is het gezamenlijke territorium. Er is bij elk van beide partners een klaar besef van verscheidenheid en van beschikking over een eigen privéterritorium. Zij weten van elkaar dat er tegengestelde belangen zijn. Maar zij weten eveneens dat zij de eigen belangenbehartiging kunnen koppelen aan het behartigen van de belangen van de ander. De liefde bestaat er in om met zorg en toewijding een vergelijk te zoeken waarbij beiden tot hun recht komen, waarbij beiden aan hun trekken komen. In lotsverbondenheid behartigen zij de co-constructie van hun gezamenlijke wereld. Zij ontwerpen een gezamenlijke cultuur door te zoeken hoe de door hen gedeelde werkelijkheid voor beiden eenzelfde betekenis kan krijgen. Zo creëren zij iets nieuws, iets dat hén eigen is: hun wijze van bejegenen, hun geest, hun gezamenlijke onderneming, hun maatschappelijk engagement.
Wij beseffen natuurlijk maar al te goed dat wij deze kunst van de co-constructie niet ingeoefend hebben gekregen. Onze samenleving en ons onderwijs baden nog steeds in het Renaissance-mensbeeld van de autonomie en de zelfredzaamheid van de individuele mens. Juist door dit manco aan training doet zich alom de noodzaak gevoelen aan relatiebekwaming. Deze lotsverbondenheid kan ook een groot gevoel van samenhorigheid bewerken. Naarmate beide partners meer opgaan in het overbruggen van hun verschillen, genieten zij van een totaal nieuwe dynamiek die zij voordien als enkelingen niet kenden. Deze vereniging en eenheid heeft een heel andere kwaliteit dan de eenheidservaring in de verliefdheid en de vervuldheid. Zij is eerder als de rijpe vrucht die geoogst wordt na een zomer van hard labeur.
Storgè.
In het kader van de wederzijdse onderlinge bijstand situeert zich ook de door LEE omschreven storgè, de zich langzaam ontwikkelende vriendschap die berust op het behartigen van gezamenlijke interessen (7).
Pragma.
Onder pragma verstaat LEE (7) de onderlinge steun die partners elkaar geven op het publieke, maatschappelijke forum. Het is die speciale liefde die men kan aan de dag leggen bij het promoten van de partner. Of de partner pianiste is, bankdirekteur, romanschrijfster of voetballer, de begeesterde echtgenoot of echtgenote zal altijd in de nabijheid zijn en entoesiast de prestaties van de partner mogelijk maken en toejuichen.
Liefde is onuitputbaar in haar vormen De grote stroom die liefde heet werd onderverdeeld in drie deltastromen. De onderscheidenheid van de ik-gerichte resonantie bij verliefdheid, het jij-gerichte altruïsme bij vervuldheid, en de gestage bouw aan de wederzijdsheid van de lotsverbondenheid, deze onderscheidenheid laat ons toe om nauwlettender bewust te worden van de diepere dynamiek van de liefdesmomenten of de liefdesrelaties die wij meemaken. Daarbij merken wij dat binnen eenzelfde liefdesrelatie deze verschillende gedaantes aanwezig kunnen zijn in gelijke of ongelijke proporties.
Soms ook is één van deze gedaantes in alle zuiverheid en eenduidigheid werkzaam. Maar altijd kan de bewustwording ervan de kwaliteit ervan vergroten.
(1) Robert AXELRODT, De evolutie van samenwerking, Amsterdam, Contact, 1990.
(2) Heimich BOELL, Ansichten elnes Clowns, Kiepenheuer und Witsch, 1963, p. 93.
(3) Keith DAVIS and Holly LATTY-MANN, Love styles and relationship qualily: a contribution to validation, J. Soc. and Personal Relatlonshlps, 4 (1987) 409-428.
(4) Marianne DERKS en Koos SLOB, Liefde, seksualiteit en geluk, een modern taboe?, Deventer, Van Loghum Slaterus, 1988, p. 16.
(5) Paul GILBERT, Human relationships, Oxford, Blackwell, 1991, p. 28.
(6) Erich JANTSCH, The self-organlzing universe; scienlific and human implications of the emerging paradigm of evolution, New York, Pergamon Press, 1979, p. 204-205.
(7) J.L. LEE, The colors of love: an exploration of the way of laving, Toronto, New Press, 1973.
(8) Paul MOMMAERS, Waar naartoe Is nu de gloed van de liefde, Patmos, 1973.
(9) Mark NEVEJAN, Jezelf worden in relatie en gezin, ABC-Kroniek (1992) 34-36.
(10) Robin NORWOOD, Als hij maar gelukkig is.
(11) Anders NYGREN, Erös et agapè, 3 vl., Paris, Aubier, 1944 (uit het Deens):
(12) Alfons VAN STEENWEGEN, Gesprekken over huwelijksgeluk, liefde en seksualiteit in partnerrelatietherapie, in DERKS o.c., p. 58
