Mensen gedragen zich loyaal ten overstaan van elkaar als de morele balans van hun onderlinge bejegening in evenwicht is. Mensen hoeven geen gelijken te zijn, ze hoeven zich niet eens als gelijkwaardigen jegens elkaar te gedragen om loyaal te kunnen zijn aan hun onderlinge verhouding.
Deze onderlinge verhouding is bevredigend als beide partijen hun onderlinge plichten en rechten nakomen. Een ondergeschikte is loyaal jegens zijn overste als er tussen hen een waardige, eerlijke, waarheidsgetrouwe relatie bestaat. Een overste is loyaal jegens zijn ondergeschikte als deze zich houdt aan een eerlijke en waarheidsgetrouwe omgang. Loyaliteit is de gemotiveerdheid om de bestaande wederzijdse betrokkenheid levendig te houden zolang deze eerlijk en waarachtig is. Conflikten, ruzies, misverstanden tasten deze loyaliteit niet aan.
En dan gebeurt er iets onregelmatigs: de ondergeschikte wordt ten onrechte ontslagen of tekort gedaan, of de overste wordt op onfatsoenlijke wijze beledigd, of een van beiden wordt door de ander leugenachtig verdacht gemaakt. Wanneer een handeling in strijd is met de rechtvaardigheid, de waarheid, de eerlijkheid, of de billijkheid, dan kiepert de morele balans uit evenwicht. De andere partij wordt verongelijkt en voelt zich ook aldus. Zij voelt zich gekwetst, gekleineerd, beledigd, gepijnigd, zwaar teleurgesteld. En daar strandt de loyaliteit. Met de beste wil van de wereld slaagt men er toch niet meer in om zijn plichten met plezier en kwaliteit te volbrengen. Ergens, diep in het moraliteitsbesef van de mens, is er iets geknakt. Een vertrouwen is gebroken. Een veer is gesprongen. De fut is er uit. Want de balans is uit evenwicht. Diegene die ten onrechte deed wat hij deed, staat nu in ’t krijt, hij staat in de schuld jegens de benadeelde. Als hij zich dit bewust is, als hij het zichzelf wil toegeven, dan voelt hij wroeging of spijt om hetgeen er gebeurd is. Hij realiseert zijn fout. Ook buiten zijn expliciete bedoeling om kan er iets verkeerd ingeschat zijn, er kan een beoordelingsfout gemaakt zijn, er was een gemis aan de nodige rust om de juistere keuze te maken, er ontbrak doorzicht of vaardigheid of creativiteit om de zaak op een betere wijze aan te pakken.
De tegenpartij voelt wrevel. Misschien wil hij zijn wrevel wegbannen, het op de achtergrond verdringen door zich te storten op zijn werk. Maar als hij rustig naar huis fietst, of op andere onbewaakte momenten, klimt de verontwaardiging terug naar boven in zijn gemoed. Het wil zich uiten als verwijt. De verongelijkte wil zijn beschuldigingen naar de sterren roepen, het van de daken schreeuwen. Maar veel dieper nog knaagt het in zijn ziel: deze beschuldigingen zullen de vroegere band van loyaliteit niet herstellen.
En dat is nog de grootste pijn, dat zijn dierbaar gevoel van loyaliteit in de grond geboord is. Ook al wilde hij het, hij kan dit niet eenzijdig herstellen. Het kan nu zijn dat diegene die in de schuld staat, daar niet bewust voor verantwoordelijk is. Dinqen kunnen uit de hand gelopen zijn. De effekten kunnen anders uitgevallen zijn dan bedoeld was. In zulke gevallen zal de loyaliteitsbalans maar hersteld worden als deze persoon zich verontschuldigt, d.w.z. dat hij zich excuseert voor de niet bedoelde pijnlijke gevolgen van zijn handeling. Hij biedt zijn verontschuldigingen aan: ‘Neem het mij niet kwalijk’, ‘Wil begrip hebben voor mijn onkunde of mijn slordigheid’, ‘Begrijp dat ik het niet zo bedoelde’. Als de tegenpartij overtuigd raakt van de eerlijkheid van deze aangeboden verontschuldigingen, dan zal hij deze aannemen. Hij verontschuldigt dan de gemaakte fouten, d.w.z. hij spreekt vrij van de schuld. Beiden stemmen er wederzijds mee in dat er geen werkelijke schuld was, of dat de schuld in elk geval niet meer van die aard is dat de loyaliteitsband er door verbroken moet blijven. Maar het kan ook zijn, en in de meeste gevallen is het zo, dat de ene partij zich werkelijk schuldig gemaakt heeft aan een onterechte bejegening.
De ondergeschikte werd onterecht ontslagen, of de overste onbillijk beledigd. Naast het berokkende leed en de geleden schade is er ook nog de breuk in de loyaliteit. Kan de schade niet meer hersteld worden, en kan de pijn niet meer ongedaan gemaakt worden, dan kan alsnog de loyaliteitsbreuk hersteld worden, zodat beide partijen elkaar weer recht in de ogen kunnen kijken. Daartoe is dan vereist dat de schuldige schuld bekent. Gaat ons de loyaliteit ter harte, dan brengen we wel de deemoed op, en de eerlijkheid, om de gemaakte fout onder ogen te zien en om onze fouten te bekennen.
Op een eerlijke schuldbekentenis volgt vergeving. Men blijft niet meer tornen aan andermans schuld als deze toegeeft verkeerd te hebben gehandeld. Dan verdwijnt de wrevel. Dan kan men er zich geleidelijk aan overheen zetten. De schade blijft bestaan, en de kwetsuren laten gevoelige littekens na, maar de fundamentele breuk, deze van de loyaliteit, kan zich herstellen.
En dan groeit er langzaam een hernieuwde loyaliteit. Beiden hebben aan mekaar een gezamenlijk herstelproces meegemaakt. }let leed is op een of andere wijze gezamenlijk geleden. Hij die pijnigde heeft zelf de pijn aangevoeld van de gepijnigde en zich daar van vergewissend, zijn schuld bekend. Hij heeft nu ook zelf de pijn gevoeld die hij berokkende. En deze morele pijn is een soort boete die betaald wordt. Zodra de gepijnigde dit bemerkt. vervalt zijn motief tot het zoeken van vergelding. Hij moet het de andere
niet meer betaald zetten. Er moet geen blijvende vete blijven bestaan. Want de schuld van de schuldenaar is nu vereffend. De partijen zijn qui te tegenover elkaar. De morele balans van rechten en plichten is weer in evenwicht. De partijen zeggen: ‘We zijn weer effen’. Wij beseffen maar al te goed dat we zelf steken laten vallen, dat we af en toe gewild of ongewild anderen soms in de kou laten staan, hen kwetsen, tien benadelen, hen vergeten. En doorheen elke andere mens kijkt ons het gelaat aan van de mensheid die honger en lijdt en sterft, en die wij tekort doen. Wij wassen onze handen niet in naïeve onschuld. Als wij ons betrekken op de mensheid in zijn geheel en in zijn alomvattende diepte, dan staan wij in de schuld. Meer dan wat ook ter wereld verlangen wij dat wij deze loyaliteitsbalans tussen ons en de lijdende mensheid vereffend krijgen. Wij willen onze schuld toegeven; wij vragen dat men ons onze schuld zou vergeven. Voor zover wij doorheen het gelaat van de gepijnigde mensheid voeling krijgen met het gelaat van het onnoembaar persoonlijke dat zich doorheen elke mens op ons betrekt (waaraan de gelovigen in de stilte van hun hart schroomvol de naam van ‘goddelijke Persoon’ geven), voor zover wij ten overstaan van dit alles méér verschuldigd zijn dan wij hebben geboden, vragen wij aan dit gepijnigd gelaat om vergeving. Kristenen en Joden verwoorden dit in hun dagelijks gebed: ‘Vergeef het ons; wij hebben ook vergeven aan elkeen die bij ons in de schuld stond’ (1).
Schuldbekentenis en vergevingsgezindheid worden vaak benoemd binnen een religieuze en moraliserende kontekst. En roepen daarom achterdocht op bij diegenen die zich vanuit de godsdiensten ten onrechte met ziekelijke schuldgevoelens opgezadeld voelen. Wat wij hier bespraken is de wijsheid die zich vanuit de sociaal-psychologische wetenschap aan ons besef opdringt. Gezinstherapeuten als Ivan BOSZORMENYI-NAGY (2) zijn vanuit hun klinische praktijk er toe gekomen om deze kwestie aan de loyaliteitsbalans centraal te stellen bij het oplossen van gezins- en familieproblemen. En naar ons aanvoelen doen zij dat terecht.
(1) Pinchas LAPIDE, Geen nieuw gebod, Baarn, Ten Have, 1985, stelt dat in dit Joodse en christelijke morgengebed Matteüs (6.12) volgens de betrouwbaarste handschriften de voltooid tegenwoordige tijd gebruikt: ‘wij hebben vergeven, vergeeft u ook ons’; wij moeten dus eerst zelf vergiffenis schenken.
(2) Ivan BOSZORMENYI-NAGY, lnvisible loyalities.
