Geschonden eergevoel

Een ‘lezer in nood’ vraagt ons een artikel te schrijven over hoe iemand zijn innerlijke wrok wegens aangedaan leed kan kwijtgeraken, m.a.w. hoe iemand echt, en dus niet alleen met woorden, de andere kan vergeven.

Wrok is een vervelend, energie wretend gevoel dat als een vieze rook blijft hangen in de kelders van ons gemoed. Het is nochtans een normaal en alom voorkomend gevoel bij ondergaan leed. Men voelt zich gekwetst, op zij gezet, bedrogen of vernederd, of ten onrechte kwalijk bejegend. Men wil dat slechte gevoel kwijt. Men zou de kelderramen wijd open willen gooien om de brandlucht naar buiten te laten trekken. Maar dat lukt ons niet zomaar.

Op het eerste zicht lijkt wrok op ingehouden agressie, vooral als de wrok voortkomt uit het ondergaan van fysieke agressie of mishandeling. Men wil het de agressor betaald zetten. Men voelt een zekere vergeldingsdrang in zich opkomen. Volgens sommige auteurs (1) (2) stoelt deze neiging op het in ons wezen ingebakken wederkerigheidsprincipe: Oog om oog, tand om tand. Het is uit zelfrespect dat wij ons niet zomaar laten doen, en daarom weerwerk biede..1 (zie 622, pp. 5-8 in Nr 69). Willen we een mogelijke escalatie van geweld vermijden, dan richten we onze kwaadheid op een ander ‘hard’ voorwerp en gooien het stuk. Het is opvallend dat wij niet met zachte voorwerpen gooien. De hardheid van het voorwerp symboliseert de hardheid van onze tegenstrever (4, p. 271). Dit zou dan een wrok kunnen zijn die wij op borden of kopjes afreageren.

Bij nader toezien evenwel gaat een gevoel van wrok niet gepaard met drang tot vergelden. Het zit veel dieper. Het is geen ingehouden kwaadheid. Het gaat om een kwetsuur van ons diepste zelf. Wij voelen ons vernederd in ons persoonlijke wezenheid. Wrok komt voort uit een persoonlijke krenking. Men kan zich aldus vernederd voelen als wanneer een man van zijn vrouw te horen krijgt dat hij ‘seksueel pervers’ of ‘abnormaal’ is, of wanneer een vrouw van haar man scheldwoorden als ’trut’ of ‘neurotisch kreng’ te incasseren krijgt. Binnen een huwelijksrelatie wordt het vreemd gaan van de partner, of diens weigeren van seksueel verkeer soms aangevoeld als de grootste vernedering die een mens kan oplopen. Dergelijke voorvallen worden door de huwelijkswet trouwens beschouwd als grove beledigingen, en zijn een grond voor het aanvragen van echtscheiding.

De ontstane wrok is bij dergelijke voorvallen te begrijpen als een reaktie op een schending van het eergevoel. Ons blazoen is vertrappeld. Onze eer wordt door de modder gesleurd. Ons gelaat wordt van ons afgerukt als een masker dat verscheurd wordt. Diegene die ons beledigt maakt dat wij onszelf niet meer in de spiegel durven te bekijken, en ons niet meer op straat durven te vertonen. Wij voelen ons als een huis waarvan de voorgevel werd opgeblazen door een terrorist.

De ander als onze spiegel

Een blijvende wrok wijst op een ernstige schending van ons eergevoel. Deze terecht gevoelde wrok geeft ons te kennen dat wij in onze diepste eigenheid aangevallen worden. Hoe is een andere persoon in staat om ons in onze identiteit te verstoren? Dit vraagt om enige verklaring.

Een kind wordt zich maar bewust dat het een persoon is met een afgegrensd lichaam dat als éénheid bestaat doordat het zichzelf in een spiegel kan waarnemen, zo beweren het de psychologen. Eerst denkt het kind in de spiegel een ander menselijk wezen te zien. Het lacht er tegen en probeert het kind achter de spiegel te zoeken. In een tweede fase beseft het kind dat het om een sprookjesbeeld gaat dat als reëel te voorschijn komt in het spiegelglas. Pas in een derde fase herkent het kind het beeld in de spiegel als het beeld van zichzelf (5).

Voor de volwassen mens zijn de ogen van de ander de spiegel waarin wij onszelf leren kennen. Wij hebben uiteraard wel een beeld over onszelf. Wij zijn ook in onze eigen ogen ‘iemand’. Maar onze beleving ‘echt iemand’ te zijn komt pas tot stand wanneer we beseffen dat wij ook in de ogen van een ander ‘iemand’ zijn. Wat geleerd uitgedrukt: ons gevoel van identiteit is een psycho-sociale identiteit, d.w.z. dat het een psychische bejegening is die afhankelijk is van een sociale erkenning (7).

Onze zelf-identiteit, het besef iemand te zijn met een ik-gevoel, wordt opgebouwd uit twee stukken, nl. enerzijds het beeld dat wij in onze eigen ogen hebben van onszelf, en anderzijds het beeld dat wij denken dat de ander van ons heeft. Onze identiteit is gevormd door de synthese van de eigen kijk op mezelf en van het beeld dat ik me maak van andermans kijk op mezelf (6, p.5).

Mezelf door de ander erkend weten

Het is voorwaar niet makkelijk om met medemensen op eenzelfde golflengte te geraken. De beelden die de anderen zich over de werkelijkheid vormen moeten voor een goed begrip min of meer samenvallen met de beelden die ik me over diezelfde werkelijkheid maak. H.S. SULLIVAN sprak over de overeenstemming van de betekenissen die wij aan dingen geven (consensual validation) (9, p. 140). Tegenwoordig spreken relatietherapeuten over de noodzaak om tussen partners tot een co-constructie van de werkelijkheid te komen wil men mekaar goed verstaan (zie 123, pp. 3-8 in Nr 44). De ander en wijzelf moeten akkoord geraken over eenzelfde betekenis die wij aan dingen geven. Het is een intersubjektieve bevestiging dat we het bij het rechte eind hebben, een garantie van objectiviteit. Uiteindelijk wil dit zeggen dat ik mij door de ander erkend weet, en dat de ander zich door mij erkend weet, en dat ik dit laatste ook bewust ben.

Al geldt deze betekenissenovereenkomst voor elk onderling begrip tussen mensen, het wordt vooral belangrijk tussen mensen die nauw op elkaar betrokken zijn, inz. wanneer het gaat over persoonlijke en emotionele betekenissen. Een weigering van seksueel verkeer kan bij elk der beide partners een totaal andere emotionele betekenis hebben. Hoe intiemer men op elkander betrokken is, des te sterker is de behoefte om zich erkend en begrepen te voelen.

In elkanders geest geëerd worden

Ons psychisch leven is als een geestelijk organisme dat uitlopers heeft in andermans geest, en dat in andermans geest zijn zaadjes deponeert, en ze er laat opschieten tot ze rijpe vruchten ontwikkelen. Dan zien wij vanuit andermans brein onze eigen bloesems bloeien en kunnen wij in andermans geest onze eigen vruchtbaarheid ontdekken.

“Jij bent in mijn geest aanwezig, waar ik ook ga of sta’, schrijft de verliefde. “Als ik je niet meer kan zien of strelen, dan blijft er een geheugenbeeld in mij aanwezig, een voldoening biedende neerslag, een kostbaar document.” En de partner beseft dit ook. Aan de overkant luidt het: “Ik weet dat ik bij jou tegenwoordig ben. Ik besef dat een beeld van mij in jouw bewustzijn aanwezig is. Jij denkt aan mij. Ik ga er van uit dat ik voor jou ‘besta’, dat jij mijn bestaan erkent, dat jij mijn bestaan gewaarwordt, dat mijn bestaan jou beïnvloedt, dat ik voor jou iets beteken.”

Je hebt een foto van mij op jouw tafel. Mijn foto wordt verscheurd. Ik word door jou niet meer geëerd. Ik voel me miskend, verkeerd ingeschat, onderuit gehaald. Door een of ander beledigend gedrag worden de vertakkingen van mijn bestaan die in jouw geest wortel hadden geschoten, met ruwe handen uitge­ rukt. Een groot stuk van mijn psychosociale identiteit gaat teloor. Dit is de schending van mijn eergevoel, waaruit mijn wrok ontstaat. In zekere zin ontken je mijn bestaan, omdat jij het beeld dat jij van mij in je geest draagt ontluistert en onteert. ‘C’est en mon coeur que l’autre me pénètre’, schrijft J.P. SARTRE (8).

Grote filosofen, zoals G.F.HEGEL, hebben met heel ingewikkelde woorden uitgelegd wat ons gezond verstand sinds mensenheugnis intuïtief ook wel weet, maar waar het gezond verstand geen overzicht van had en waar het geen blijf mee wist. Zo schrijft HEGEL dat slechts een andere bewustzijn dan het onze ons de zekerheid verschaft over ons zelf, dat slechts een andere mens door zich van ons bewust te zijn ons een eigen zelfbewustzijn geeft, ons weerspiegelt wie wijzelf zijn, vooral wanneer dit gebeurt met erkenning en respect. Wij komen pas tot zelferkenning door het erkend worden door een ander. ‘Zij erkennen elkaar, als elkaar wederzijds erkennend’ (3,p.85).

Jammer genoeg, zo gaat HEGEL verder, wil menigeen wél erkend worden maar kan zelf geen erkenning opbrengen voor de ander. Twee partners vechten om erkend te worden, terwijl zij zelf geen erkenning bieden. Zware ruzies ontbranden vanuit de behoefte om begrepen en gerespecteerd te worden terwijl men zelf geen greintje begrip of respect opbrengt, waardoor de ander zich dan uiteraard noch gerespecteerd noch begrepen voelt, vanwaar diens behoefte aan erkenning toeneemt, enzovoort in een eindeloze escalatie. Het enige wat dan na zo’n ruzie overblijft is moeheid, teleurstelling en een toenemend wrokgevoel.

De ander als mijn verlangen

Deze wijsgerige omweg langs HEGEL staat ons toe om te begrijpen wat de vermaarde Parijse psychoanalist J. LACAN bedoelde met zijn cryptische zin: De mens verlangt naar het verlangen van de Ander. Dat wil zeggen dat het diepste verlangen van mij als mens is dat de ander naar mij zou verlangen.
Le désir de l’homme trouve son sens dans Ie désir de l’Autre (5,p.268).

Uit de verdere context begrijpen wij dat dit betekent:
a) dat een mens verlangt dat zijn eigen verlang.ms door de ander gezien, erkend en gerespecteerd worden, (son premier objet est d’être reconnu par l’Autre)(ib.),
b) dat de ander ook naar ons verlangt (il a pour objet un désir, celui d’Autrui)(S,p.181), en
c) dat wij andermans verlangen naar ons toe eveneens erkennen en honoreren.

      Intieme partners verlangen naar elkaar en naar elkaars verlangen. Deze wederkerige erkenning van het verlangen is op eminente wijze aanwezig in hun seksuele bejegening. De ene partner raakt opgewonden en begeesterd doordat de andere partner naar de eerste verlangt. Er bloeit een verlangen om in te gaan op het verlangen van de ander. Als die ander er zich voor open stelt, dan ontstaat er ook een basale bevrediging bij die eerste omdat deze beseft dat de ander naar het bejegend worden door de eerste verlangt. Bij dergelijke ontmoetingen verkrijgt men begrijpelijkerwijze een beleving van opgaan in elkaar en van een in elkaar verweven één zijn. Daar de intieme partners zich daarin totaal en onverdeeld ‘laten gaan’, wordt deze beleving ervaren als uniek en exclusief.

      Groot is dan natuurlijk de ontgoocheling wanneer, geleidelijk aan of plotseling, vastgesteld wordt dat de ander niet meer naar ons verlangt. Een wereld stort in elkaar. Niet alleen is, in andermans geest, onze foto verminkt, maar ook ons diepste verlangen wordt botweg genegeerd. De diepste, geestelijke band is verbroken. De diepe ontgoocheling verzuurt ons hart. Uit het gistingsproces dat zich in ons innerlijk voltrekt ontstaat de wrok.

      Is eerherstel mogelijk?

      Het geschonden eergevoel zint niet op wraak of vergelding, neen. De eer wil ‘hersteld’ worden. Het eigen eergevoel wordt niet hersteld door de ander schade te berokkenen, noch door in woede uit te barsten. Men wil veeleer de eigen eer redden door zich kalm en beheerst te gedragen, m.a.w. men wil zich eervol gedragen. Men beschouwt de ander als iemand die zich eerloos gedraagt. Hier geen poets wederom poets. Men wil zich niet verlagen tot eenzelfde eerloos gedrag. In de vorige eeuwen kon men de eigen eer hoog houden, en deze voor andermans oog herstellen, door de belediger tot een duel uit te dagen, daarmee blijk gevende van moed en zelfrespect. In onze tijd houdt men zijn eer hoog door stoïcijns te zwijgen.

      Eerherstel is mogelijk door een kniebuiging van de ander. Er bestaat o.i. zo iets als een eer-balans die in evenwicht moet zijn. Ik kan immers niet verwachten dat jij aan mijn foto in jouw geest een ereplaats zoudt geven, als ikzelf maar een lage dunk van jou zou hebben. Dat zou de balans erg in onevenwicht brengen. Hetzelfde doet zich voor wanneer jij de foto van mij verkreukelt of verscheurt. Onze balans van eer komt pas terug in evenwicht wanneer jij toestaat dat de foto die ik van jou in mij draag ook een kreukje mag krijgen, niet door mij, maar door jezelf. Jij geeft dan toe dat je je oneervol gedragen hebt.

      Dit is meer dan het aanbieden van een verontschuldiging. Wie zich verontschuldigt zegt: “Sorry, ik had het niet zo bedoeld; jij hebt dat verkeerd begrepen”. De schuld wordt verdoezeld. Voel ik me in mijn eer geschonden dan volstaat deze makkelijke verontschuldiging niet; ik verlang dat de ander mijn eer herstelt. Dit kan als de ander spijt betoont over zijn kortzichtigheid, als die ander in zich een nieuwe foto over mij in zich opneemt, met een vernieuwd respect en een uitgesproken verlangen. Helaas helemaal niet wanneer die ander ons gekrenktheidsgevoel belachelijk zou maken door een “Stel je niet aan”.

      En wat als de ander ons niet in onze eer herstelt? Zijn wij dan gedoemd om telkens dat wrange wrokkigheidsgevoel in onze maag te voelen oprispen? Dan moeten we iets aanvangen met onszelf.
      Het besef dat de hele problematiek ontstaan is door een verstoring van het evenwicht van de balans van eer, kan ons er toe brengen deze balans weer in evenwicht te brengen door stil te staan bij de vraag wat wij hebben aangevangen met de foto van de ander die wij in onze geest meedragen. Staat die nog zo mooi ingekaderd in ons eigen brein? Of hebben wij haar eveneens uit haar omlijsting gehaald en vervangen door een pijnlijke karikatuur? Degene die ons gekrenkt heeft is zich misschien ook gaan realiseren dat zijn beeld in ons er nu eveneens gehavend en verkreukeld bijhangt. Geven wij onszelf dan maar toe dat zodoende de balans van eer terug in evenwicht is gekomen, al is dat bij beiden op een lager peil. Het blijft een ietwat teleurstellend gevoel maar het heft tenminste de wrok op.

      Wij komen dan misschien terecht in een dode eenheid, die uiteengevallen is in dode extremen, die er alleen maar zijn, en die elkaar niet wederkerig het bewustzijn teruggeven (iemand te zijn voor de ander)”(3,p.87). Deze dode, neutrale fase is vaak noodzakelijk om met een gelijk eergevoel opnieuw naar elkaar te kunnen verlangen. Door tijdelijk deze neutraliteit tussen ons toe te laten, ontsnappen wij aan het hautaine gevoel van het neerbuigend vergiffenis schenken, waaromtrent Oscar WILDE schreef: Vergeef steeds je vijanden, want niets is voor hen zo vervelend (4,p.269).

      Tenslotte kunnen wij er van uit gaan dat onze psychosociale identiteit, zegge ons door de ander,          bevestigd zelfwaardegevoel; niet alleen afhankelijk is van die éne intieme andere die ons eergevoel geschonden heeft. Kijk om je heen, en je zal merken dat vele anderen een beeld van je hebben dat overeenstemt met je zelfbeeld. Zo besef je dat je voor vele anderen diegene mag zijn die je voor jezelf wil zijn. En dat tempert het gekrenkt zijn door die éne.

      Vooraleer deze beschouwing af te sluiten, willen wij in gedachten de rollen eens omwisselen. Wie moet zich door ons gekrenkt hebben gevoeld? Wij hebben dit misschien nooit bemerkt omdat de ander te fier was om het toe te geven. Toch zullen we wel meer dan eens, bewust of onbewust, andermans eergevoel hebben gekwetst. Het is nooit te laat om daarover aan die ander om feedback te vragen. Het is goed als die ander ons op de hoogte brengt van diens gekrenkt zijn. En als wij dan terug de rol omwisselen naar onszelf, dan weten wij dat het wel moeilijk maar bevrijdend is om met de betrokkene onze wrok ter sprake te brengen.

      1. AXELROD Robert, De evolutie van samenwerking, Amsterdam, Contact, 1990
        • BOSZORMENYI-NAGY Ivan and SPAAK Geraldine, lnvisible loyalties, New York Harper and Row, 1973, p.64 sq.
        • HEGEL Georg, Fenomenologie van de geest, Amsterdam, Boom Meppel (oorspronkelijk duitse tekst anno 1807)
        • HEIDER Fritz, The psycholgy of interpersonal relations, New-York, Wiley and Sons, 1958
        • LACAN Jacques, Ecrits, Paris, Seuil, 1’966, Geciteerd door Jean-Michel PALMIER, Lacan, Ie symbolique et /’imaginaire, Paris, Ed. Universitaires, 1969
        • LAING R.D., PHILLIPSON H. and LEE A.R., lnterpersonal perception, London, Tavistock Publications, 1966
      2. MAUCORPS P.H. et BASSOUL R., Jeux de miroirs et sociologie de la connaissance d’autrui, Cahiers lnternat. de Sociologie, 32(1962)43-60
      3. SARTRE J.P., L’être et Ie néant, Paris, Gallimart, 1943, p.293
      4. SULLIVAN Harry Stack, Begrippen voor een toekomstige psychiatrie.Bilthoven, Ambo, 1975 (oorspronkelijk Amerikaanse tekst 1940)