Het verongelijkte zwijgen

Gelijkberechtiging is de absolute voorwaarde tot communicatie. Geen enkele gespreks­techniek kan een geblokkeerde communicatie vlot krijgen als niet voorafgaandelijk ‘recht gesproken’ wordt over een verongelijkt zijn. Op een dag tijdens de oorlog kreeg een vrouw hoog oplopende ruzie met haar man omdat hij aan ingekwartierde legerofficieren een stel beddedekens weggaf. Sinds die dag hulde ze zich in een verbeten stilzwijgen. Noch de familiale inmengingen, noch een opname in de psychiatrische kliniek, noch de verontschuldigingen van haar man konden haar mutisme doorbreken. Haar wanhopige man klopte zich op de borst:
‘Ik wist niet dat je zo aan die dekens hield’.
‘Ik heb dat gedaan om bij de legerleiding op een goed blaadje te komen’.
‘Ik zal zo iets nooit meer doen, dat zweer ik’.

Vrienden en familieleden probeerden met vriendelijkheid en kwaadheid:
‘Je steekt je alleen maar iets in je hoofd’.
‘Als je sprak zou iedereen weer gelukkiger zijn’.                    ,
‘Jouw man wist niet wat hij deed. Wees een beetje vergevingsgezind’.
Niets mocht baten. Omdat geen enkele van deze verontschuldigingen de rechtsgrond betrof.

Een belastingconsulente met doorzicht bracht het verlossende woord:
‘Eigenlijk had de man het recht niet om over die dekens te beschikken’.

Deze belastingconsulenten was in eerste instantie niet gericht op een opstarten van de communicatie. Zij had aandacht voor de primaire rechtsgrond* van het gebeuren. Zij sprak recht. Zij installeerde zich als vrederechter. Zij kende de vrouw haar recht toe om over de huisraad te beschikken. De vrouw werd door deze uitspraak in haar gelijk gesteld. Voor het eerst in al die zwijgzame jaren werd haar het recht gegund waar zij op stond. Voor het eerst in die pijnlijke geschiedenis was er iemand die zag en zei dat zij veron­gelijkt was, dat haar een fundamenteel recht ontnomen was. Zij was ver-ont-recht, en dit werd als dusdanig erkend. Er werd eindelijk, na al het onterechte spreken, ‘recht’ gesproken. Er werd voldaan aan het primaire rechtsgevoel.

Het zwijgende recht
Recht* is de erkenning van het feit dat men terecht iets mag verwachten, de erkenning dat men gelijk heeft om iets te verwachten.
‘Je had gelijk om er van uit te gaan dat de beschikking over de huisraad tot jouw domein behoorde’. ‘Jij had het gelijk aan jouw kant’. Dit is de rechtspraak die bevrij­ding bracht, de rechtzetting die de mogelijkheid tot communicatie heropende.

Binnen de opbouw van een relatie zijn er van die fundamentele verwachtingen die de grond uitmaken voor het eigen bestaan. Men wil het recht hebben om erkend te wor­den om over bepaalde domeinen de verantwoordelijkheid te dragen, om gelijkberech­tigd te zijn. leder heeft zijn eigen privé-handvest van fundamentele mensenrechten. Omdat dit handvest beleefd wordt als de grondwet voor de relatie, gaat men er van uit dat deze basale verwachtingen voor alle mensen en voor alle relaties gelden. Zij moe­ten dus niet besproken of afgesproken worden. Zij zijn geen materie voor afspraakjes of overleg.

De partner die aan deze verwachtingen ‘in principe’ niet tegemoet komt, wordt geper­cipieerd als volstrekt disloyaal, als iemand die de grondwet met de voeten treedt, een asociaal individu waarop men geen enkele aanspraak kan laten gelden. Zwijgen is de enige uitweg.
‘Van waaruit zeg je niet wat je van je partner verwacht?’
‘Daar ben ik te fier voor’.
Deze zgn. fierheid is een koppige vasthoudendheid aan wat men beschouwt als fun­damentele waarden en rechten. Men wil zijn rechtsgrond niet verkwanselen door het­ geen in het geding is te ‘verlagen’ tot een onderhandelingsmaterie. Dat is de recht­matige fierheid waar het om gaat.

Een relatie is in allereerste instantie een verbintenis tussen twee mensen die elkaar het statuut van rechtspersoon* geven, d.w.z. dat ieder de ander bejegent als een persoon die rechten en verplichtingen kan dragen. Men machtigt elkaar om van mekaar bepaalde houdingen en diensten te verwachten.
De wederzijdse verwachtingen zijn legitiem. Heeft men geen rechtspersoonlijkheid, dan is men juridisch dood. Slaven hadden geen rechtspersoonlijkheid; zij konden zich niet op hun rechten beroepen. Als straf kan een burger uit zijn burgerrechten ontzet worden. Welnu, wat zich op maatschappelijk niveau afspeelt, speelt ook een rol in de privérelaties. Binnen de privérelatie wil elkeen zich­ zelf als rechtspersoon erkend zien door de andere partner. Het statuut een rechtsper­soonlijkheid kan men zichzelf niet geven; men moet het krijgen van de ander. Maar eens dat men rechtspersoonlijkheid heeft, kan men er eigenlijk niet meer om vragen. Er om vragen zou betekenen dat men geen rechtspersoon is. De basale fierheid is hierin gele­gen dat men er van uitgaat dat men een rechtspersoon ‘is’.

Dat aan mijn rechtmatige verwachtingen niet voldaan wordt, is een heel andere kwestie. Het klinkt heel anders wanneer een partner zegt:
‘Ik heb jou niet gegeven waar jij recht op hebt’, of wanneer hij zegt: ‘Jij hebt het recht niet om dat van mij te verwachten’.

De verontschuldiging* heeft, rechtspersoonlijk gezien, een tweeledige boodschap: eerstens bekent zij dat de verongelijkte persoon een ‘recht’ heeft, tweedens bekent zij dat aan dit recht niet voldaan werd. Dat aan een verwachting niet voldaan werd, wordt makkelijk vergeven als men het recht er op herbevestigd krijgt.

Heel wat echtelijke problemen zijn zo alomvattend omdat, altans voor minstens één van beiden, de grondrechten in het geding zijn gekomen. De grondrechten* zijn de meest fundamentele verwachtingen die door een wederzijds contract als rechtmatige verwach­tingen gelegitimeerd werden. Wordt daaraan afbreuk gedaan, dan stelt zich meteen de fundamentele vraag of het gaat om een fout of een misstap waarbij het grondrecht in voege blijft, dan wel of het gaat om een grondrechtswijziging die eenzijdig door één partij wordt aangebracht.

De natuurlijke gerechtigheid
Het verongelijkt zijn komt meestal voort uit een ongelijke berechtiging. Wie uitgaat van gelijkwaardigheid* als de basis van een huwelijksrelatie, zal er van uitgaan dat een gelijk­heid van rechten ten grondslag ligt aan deze gelijkwaardigheid*, m.a.w. een gelijkberechtiging*. Men gunt mekaar dezelfde rechten.

Elke sociale ordening tussen levende wezens, vanaf de primitiefste diersoorten tot de hoogste mensbeschavingen, berust op gelijkberechtiging. Deze dient niet met woor­den afgesproken te worden, noch door wetten te worden geürgeerd. Ze ligt gewoon in de natuur zelf van de sociabiliteit van sociale wezens. Of, anders gezegd, sociale orde­ningen blijven alleen maar overeind als zij gebaseerd zijn op het recht op wederkerig­heid*.

Het principe van het vergeldingsrecht* weerhoudt de agressor van overdadige agressie. Het leer-om-leer-princiep – ‘Sla jij mij dan sla ik jou’ – gaat uit van het fundamentele recht op wederkerigheid (1). Het recht moet niet ten uitvoer gebracht worden. Het is vol­doende dat het bestaat, en dat men er aan herinnerd wordt. Het recht zelf heeft een ordeningskracht die groter is dan de fysieke vergelding.

Een jarenlang ingehouden verbetenheid tegen een tirannieke partner kan meteen tot rust komen door het besef: ‘Eigenlijk heb ik het recht om op mijn beurt hem te tiranniseren’. Ook al wordt dit niet in daden omgezet, het besef dat men ‘door de natuur der dingen’ het recht heeft op vergelding, d.i. het recht op gelijkwaardige wederkerigheid, herstelt het evenwicht.

Het vergeldingsrecht dat in de Romeinse rechtspraak ingeschreven stond als een recht om met gelijke munt betaald te worden – de ’talio’ – wordt door de kleinste peuters reeds in praktijk gebracht zodra zij zich sociaal in een groep beginnen te ordenen. PIAGET schrijft: “Wederkerigheid staat bij kinderen hoog in waarde zo dat zij het in prak­ tijk willen brengen waar dat volgens ons dicht komt bij het uitoefenen van ruwe wraak” (4). Kinderen zijn van nature zeer gevoelig voor gelijkberechtiging. ‘Hij heeft mij een duw gegeven; ik mag hem een duw geven’. In hun woordje ‘mag’ verwoorden zij hun grond­ recht van wederkerigheid.

Dezelfde wederkerigheid geldt voor sociaal opbouwende gedragingen. ‘Jij hebt mij geholpen; jij mag van mij hetzelfde verwachten’. Het principe van dienst-wederomdienst brengt evenwicht in de verhoudingen. Men wil binnen een relatie quitte zijn, gelijkelijk behandeld. De boekhouding van het gekregene en het gegevene moet in evenwicht zijn. Dan voelt men zich ‘vergelijkt’ i.p.v. verongelijkt. Dan staan de armen van de balans gelijk.

Wat voor de ene partij een recht is, is voor de andere partij een norm*. Zo besluiten wij met de woorden van de socioloog GOULDNER: ‘De norm van wederkerigheid is het concrete en specifieke mechanisme dat zorgt voor de instandhouding van elk sociaal systeem (3).

Aantasting van de rechtspersoonlijkheid als oorzaak van pathologie
Het is de grote verdienste van de gezinstherapeuten Ivan BOSZORMENYI-NAGY en Geral­dine SPAAK (2) dat zij onze aandacht gevestigd hebben op het feit dat de diepste oor­ zaak van vele gezinsconflicten en familievetes gezocht moet worden in krenkingen van familiale rechtspersoonlijkheid. Daarbij hebben deze auteurs vooral oog voor de aan­tastingen van de rechtspersoonlijkheid tussen ouders en kinderen, tussen ouders en grootouders, tussen bloedverwanten en aangetrouwde familieleden, tussen zusters en broers, schoonzusters en schoonbroers.

Deze auteurs gaan uit van het kernbegrip van loyaliteit*. Dit is de trouw aan de familia­le grondrechten, de tegemoetkoming aan wat men onderling als rechtmatige verwach­tingen gelegitimeerd acht. Familieleden houden volgens hen een soort geheime en onbesproken boekhouding bij van wie bij wie in het krijt staat (2). Er wordt innerlijk gere­gistreerd wat men toch ‘niet verdiend’ had, en wat men ‘wel verdiend’ zou hebben. Dit soort ‘verdienen’ is gebaseerd op de rechten die men als familielid meent te heb­ben. Zij komen voort uit een soort familie-rechtspersoonlijkheid.

Meer nog dan bij de verbindingen met vreemden, zijn de familiale verbindingen onder­worpen aan de gelijkberechtiging. Het natuurlijke vergeldingsrecht lijkt hier zelfs ster­ker te spelen dan tussen losse burgers onderling. Wat kan verklaren dat familievetes zo hardnekkig kunnen zijn en zo langdurig kunnen aanslepen. Zelfs bij begrafenissen ziet men soms hoe de ene clan de andere niet eens wil aankijken. Serieuze communicatieproblemen, psychische verkrampingen, zelfs psychosomatische klachten kunnen te wijten zijn aan niet rechtgetrokken familiale disloyaliteiten, die op het gemoed blijven wegen en de omgang verstoren. Tegenwoordig zien wij ook vaker dan vroeger huwelijksrelaties waar de vrouw, eens dat de kinderen het huis uit zijn, zich realiseert dat zij al die voorbije tijd te weinig of geen rechtspersoonlijkheid had. Zij voelt zich bekocht en verongelijkt. De man, die de zaak nooit vanuit die hoek heeft bekeken, verontschuldigt zich voor zijn voorbije onbewuste dominantie-gedrag, hij vergoelijkt, wringt zich in bochten, maar komt niet op de gedachten om te bevestigen dat zij eigen­ lijk ook recht op meer ‘eigen leven’ moest gehad hebben.

De subjectieve kijk op eigen recht
De sociale ordening is dus gebaseerd op een fundamenteel grondrecht van gelijkwaar­digheid en wederkerigheid. Zoals vele fundamentele kwesties wordt dit grondrecht zel­den of nooit ter sprake gebracht. Het wél ter sprake brengen lijkt op het eerste gezicht iets af te doen van de geldigheid ervan.

Ten onrechte evenwel gaan wij er van uit dat deze grondwet door alle betrokken par­tijen op gelijke wijze gezien en begrepen wordt. leder heeft dus een subjectieve kijk op wat de gelijkberechtiging zou moeten zijn. Als men de verschillende subjectieve perspectieven niet met elkaar confronteert, dan kunnen er wel eens grote misverstanden blij­ven bestaan omtrent bepaalde hete hangijzers. Als de ene het grondrecht meent te heb­ben om tijdens het weekend te doen waar hij zin in heeft, en als de andere het grondrecht meent te hebben om tijdens het weekend in allereerste instantie iets samen te doen, dan botsen hier niet enkel twee verschillende belangen tegen elkaar, maar dan worden hier, vanuit ieders subjectieve interpretatie gezien, ook grondrechten aangetast.

Het verdient dus aanbeveling om bij conflicten die kwaad bloed zetten, na te gaan en te bespreken welke basale verwachtingen geschaad worden. leder doet er goed aan om de grondrechten die hij meent te hebben, eens op een rijtje te zetten. En na te gaan of de partner die inderdaad mede ondertekent en legitimeert. Als er dan door bepaald gedrag afbreuk aan wordt gedaan, dan kan de fout vastgesteld worden terwijl het recht overeind blijft.

De meest desastreuze situatie is deze waar de ene partij uitgaat van een bepaald recht dat zij, onbesproken en onbespreekbaar, oplegt aan de andere partij, zonder dat die andere partij goed beseft waar het om gaat. Dit is een vorm van meta-beheer*, een sub­tiele machtsgreep die fnuikend werd doordat het de andere vangt onder een wet die onbekend blijft. Degene die daardoor gestraft wordt, weet niet hoe zich te verhouden, terwijl elk van zijn reacties geïnterpreteerd wordt als disloyaliteit aan de grondwet. Een gesprek en een beraad, over de kern van de zaak, zijn dus bevrijdend omdat door een dialoog over de grondwet beide partijen eenzelfde rechtspersoonlijkheid krijgen, met het recht om een grondwet te maken. De gelijkberechtiging* slaat dus, in wezen, in de eerste plaats op het recht om als gelijke, tezamen met een andere gelijke, een geza­menlijke grondwet op te stellen. Slaagt men daar niet in, dan belandt men in een soort rechtsvacuüm dat, als het lang blijft duren, de fundamenten van de relatie ondergraaft.

Wie zich verongelijkt* voelt, doet er goed aan om bij zichzelf na te gaan aan welke fun­damentele verwachtingen de partner niet voldoet. Als men dit op een rijtje voor ogen heeft, kan men zich afvragen of men meent het recht te hebben om dit te verwachten. Indien ja, waarom zou men dan niet op zijn rechten staan en de partner herinneren aan zijn plichten? Indien neen, dan gaat men na of de partner wezenlijk mij mijn recht ont­ zegt en wil blijven ontzeggen, dan wel of hij ’ten onrechte’ doet wat hij doet en mij eigenlijk mijn rechten laat behouden. Bekent hij schuld of onmacht of onwetendheid, dan kan men samen zoeken hoe dit te verhelpen. Ontzegt hij mij het recht dat ik meen te heb­ben, dan komt men op een wezenlijk conflict dat enkel opgelost kan worden door het ontwerpen van een nieuwe grondwet, als gelijken recht hebbend op een gelijkelijke inspraak en een gelijkwaardige wetgevende macht. Hoe dan ook, het verongelijkt-zijn kan pas verdwijnen door een herstellen of een creëren van een toestand waarbij beide partijen tot ‘hun gelijk’ komen als gelijkberechtigden.

  1. Robert AXELROD, De evolutie van samenwerking, Amsterdam, Contact, 1990, vertaald uit ameri­kaans: The evolution of cooperation, 1984
  2. Ivan BOSZORMENYI-NAGYI en Geraldine SPAAK, lnvisible loyalities: Reciprocity in intergenera­tional familytherapy, New York, Harper and Row. 1973, inz. Hoofdstuk 4: Justice and social dynamics, pp.53-99
  3. A.W. GOULDNER, The norm of reciprocity: a preliminary statement, Am. Socio). Rev. 25(1960)161-178, p. 174
  4. Jean PIAGET, The moral judgement of the child, Glencoe 111., Free Press, 1932, p. 216