Onze Westerse cultuur is ontstaan uit de scheiding van man en vrouw. De mannelijke werkelijkheidsbenadering vond haar hoogtepunt in het patriarchale, Romeins-Griekse imperium dat zich onder Alexander de Grote tot in India had uitgebreid. Maar in de Oosterse randgebieden (Syriê, Palestina, Egypte) was men zich zeer bewust van een geheel ander, vrouwelijker benadering van leven en werkelijkheid. Deze kultuur van het Nabije Oosten waarvan o.a. Jezus een levendig vertegenwoordiger was, werd door de Romeinse wereld afgewezen en onderdrukt.
De beroemde bibliotheek van Alexandrië, schatkamer van het Nabije Oosten, werd eerst door de militaire veldheer Caesar geplunderd en werd later in 391 op last van de patriarch Theophilos platgebrand.
De hoofdbibliothecaresse Hypathia werd in 415 vermoord. Zo werd de vrouwelijke kultuur gescheiden van de mannelijke. Deze laatste heeft naderhand tot aan de Moderne Tijden de wereld overheerst.
Die twee soorten cultuur werden bij het begin van de christen heid vaak gesymboliseerd door de mytische figuren van Adam en Eva. Adam staat voor de mannelijke benaderingswijze van de wereld, Eva voor de vrouwelijke benaderingswijze. Elke cultuur gaat dood waar deze twee benaderingswijzen uit elkaar groeien. Toen Eva nog in Adam was, bestond de dood niet. Toen zij van hem gescheiden werd ontstond de dood. (Ev. Fil. 71). Adam benadert de wereld van buitenuit. Hij kijkt naar de planten en dieren als naar wezens die buiten hemzelf op zichzelf bestaan. Hij geeft ze afzonderlijke namen. Hij onderscheidt, klasseert, ordent, houdt overzicht. Adam neemt contact met de werkelijkheid door deze te objectiveren. Eva integendeel krijgt contact met de werkelijkheid voor zover ze deze werkelijkheid ervaart. Zij kent de werkelijkheid die ze zelf is. Zij beleeft en kent zich als levend wezen, als vrouw, als beweging, als deel van de natuur. Zij kan te weten komen wat ‘leven’ is voor zover ze er deel aan heeft en er zich in durft te bewegen.
Wat werkelijkheid is kan men niet inzien
tenzij men er gelijk aan wordt.
Voor de man in de wereld is dat anders:
deze ziet de zon zonder zon te zijn,
en hij ziet het uitspansel en de aarde
en alle andere dingen, maar hij ‘is’ niet deze dingen. (Ev. Fil. 44).
Volgens het objectiverende weten zien we van alles zonder daarbij onszelf te zien. Maar volgens het ervaringsweten is dat anders: wij kunnen enkel die realiteiten kennen waar we zelf deel aan hebben. De tragedie, waarvan men zich bij het begin van onze tijdsrekening bewust was, is dat de wetenschappelijke en objectieve kennis waardoor we eindeloos veel ‘over” alle mogelijke dingen te weten kunnen komen, verabsoluteerd wordt als de enige juiste en legitieme kennis.
Daardoor komt het weten ‘vanuit’ wat we zélf zijn in de verdrukking; dit soort bewustzijn wordt afgevoerd als irrelevant, onbetrouwbaar, subjectivistisch. Door deze scheiding amputeert men de kennis van haar meest vitale kracht. De wetenschap verliest haar ziel. De ervaring verliest haar ordening.
Als de vrouw niet van de man gescheiden was
zou zij niet sterven te zamen met de man.
Hun scheiding werd het begin van de dood. (Ev. Fil. 78).
Er zal slechts leven zijn wanneer wij de werkelijkheid integraal benaderen, d.w.z. en vanuit een objectieve, begrijpende kennis én vanuit een ervaringsweten. Dan pas hervinden wij de ‘integrale kennis’ die de werkelijkheid recht aandoet.
Als Eva opnieuw binnengaat bij Adam
en hij haar in zichzelf opneemt
zal de dood er niet meer zijn. (Ev. Fil. 71).
Nu we beseffen wat een meer integrale contactname met de werkelijkheid betekent, stellen wij ons de vraag waarop deze kennis gericht is. De mannelijke weetgierigheid stort zich op de analyse. Adam splitst de materie tot in zijn kleinste atomen. Hij legt in musea en handboeken een rijke verzameling aan van alle ‘elementen’ tot dewelke de werkelijkheid zich laat opdelen. Hij telt en vertelt uit welke elementen alles bestaat. Hij becijfert en telt dan weer alles tezamen op, al beseft hij wel dat het geheel niet te herleiden is tot de som van de delen. Eva daarentegen richt zich meer op het geheel. Zij ervaart zich als een orgaan binnen een groter lichaam, en is als orgaan meer gericht op de totaliteit van het gehele organisme. Elk orgaan ervaart, door het feit dat het pulseert vanuit een groter lichaam, iets van deze totaliteit waaraan het deelheeft. Als individuele mens komt hij in contact met het universele menselijke gegeven, zegge met de mensheid doorheen de tijden en met datgene wat daarin levend en menselijk is.
De organismische leer, die men ziet als het nieuwe paradigma van de ‘rijzende cultuur’, vervoegt dit vrouwelijke werkelijkheidsbesef. Adam zoekt de bouwelementen waaruit het geheel is opgebouwd. Eva zoekt naar de patronen die het geheel doorstromen. Zij kijkt vanuit het geheel naar het deel, vanuit de synthese, hoe vaag ook, naar de details. Adam doet het omgekeerd. De stem van Eva horen wij o.a. bij Gabriele RICO die in haar werken pleit voor het ‘patroondenken’ waarbij een flexibel, holistisch, imaginatief, metamorfisch onderwijs tegenwicht moet brengen voor onze traditionele analytische en discursieve denkprocessen (2). Daardoor kunnen wij weer in kontakt komen met de universele oer-menselijke gegevenheden waaraan wij deelhebben.
Psychologisch vertaald kan men zeggen dat de mannelijke Adam de werkelijkheid buiten zichzelf geplaatst ziet en dat hij deze ook objektiverend buiten zichzelf plaatst om er van buitenuit vat op te krijgen. Hij ziet en hanteert de buitenkant van de beker. Eva ontdekt de werkelijkheid binnen zichzelf.
Zij ziet en betast de realiteit voor zover deze door haar heen stroomt, voor zover zij in zich de doorvaart er-vaart van het leven waaraan zij deelheeft.
Er is een woord van Jezus overgeleverd dat zegt:
Waarom wast u de buitenkant van de beker?
Begrijpt u niet dat hij die de buitenkant gemaakt heeft
toch ook dezelfde is die de binnenkant heeft gemaakt? (Ev. Th. 89).
Adam (of het mannelijk principe) kan de werkelijkheid niet zien noch hanteren zonder medeweten en mede-handelen van Eva (of het vrouwelijk principe). Het is een illusie dat er een buitenzijde kan bestaan zonder een binnenzijde, en omgekeerd. Adam richt zich op doelen die hij buiten zichzelf en verder af plaatst, en waarnaar zijn streven zich kan uitstrekken (3). Eva richt zich op datgene wat er reeds is, in de ingekeerdheid naar het eigen hart. Het orgaan is uniek in zijn functie binnen het grotere lichaam. Vandaar dat het persoonlijk-unieke van de mens binnen deze visie sterk geaccentueerd wordt. Het orgaan gaat niet op in de diffuusheid van een zweverig geheel. Waar Adam zoekt naar ‘algemene waarheid’ en objectieve, door iedereen op dezelfde wijze begrijpbare kennis, daar zoekt Eva naar het persoonlijk eigene van alles. Hoe meer zij zichzelf kan zijn, des te trouwer kan zij, op haar plaats binnen het geheel, iets van het oer-leven verwerkelijken. En zij doet dat op een zeer konkrete, hier en nu gesitueerde wijze. Zij verwekt b.v. een kind en gaat dan geheel op in dat specifieke nu waarin de eeuwigheid gestalte krijgt. Eva is existentieel, lijfelijk present. Adam houdt van de abstracte bespiegeling over essenties; hij filosofeert en poogt daarin de eeuwige, onveranderlijke kern van het wezen te vatten. In de primitieve christengemeenten circuleerde het besef van het existentieel heilsgebeuren dat zich hier en nu aan ’t voltrekken is.
Zij drukken dit uit door het beeld van de ‘bruidskamer’.
Niemand zal kunnen weten wat de gemeenschap is van man en vrouw
tenzij zij twee wanneer ze gemeenschap hebben met elkaar. (Ev. Fil. 122).
De bezinning over deze twee fundamenteel verschillende wijzen om met de werkelijkheid om te gaan was zeer levendig in vele vroegchristelijke gemeenten. Een neerslag daarvan vinden we o.a. in het Evangelie van Filippus (1), waaruit hier geciteerd wordt. Het zijn de woorden van Jezus, en de houdingen die door hem geïnspireerd zijn, in verband met het huwelijk. Het is een soort huwelijks-catecheze, vooral gebruikt te Edessa. toenmalige hoofdstad van Syrië. En in dit kader van het huwelijk rijst de wezenlijke vraag: hoe kan men de partner ‘kennen’ zonder deze te objekctiveren als iemand die buiten mij staat? Het antwoord hierop wordt gezocht in de identifikatie. Iemand leren kennen wil zeggen: er zich mee vereenzelvigen.
Zie je iets van deze werkelijkheid
dan wordt je deze werkelijkheid.
Je zag in wat ‘geest is, je werd geest.
Je zag in wat ‘gezalfde’ is, je werd gezalfde.
Je zag in wie de ‘Vader’ is, je zal Vader worden.
Wat je inziet zal je worden. (Ev. Fil. 44).
De relatie met de andere persoon wordt hierbij niet gedefinieerd. zoals de Adam doet, als een relatie tussen twee afzonderlijke en autonome wezens (3), maar wel als een ontmoeting van twee personen die tezamen deel uitmaken van een groter geheel. In de mate de mens zich identificeert met een karakteristiek van het grotere organisme, hecht hij zich niet zozeer aan zichzelf als autonoom, op zichzelf staande wezen, dan wel aan dat omvattender organisme. Het proces van identificatie is een van de centrale spirituele motieven van de primitieve christenheid, die zich daarin, midden de smeltkroes van de Grieks-Romeinse kolonisatie, afzet tegen de mannelijke beheersings- en overheersingsmentaliteit. Binnen deze context was het huwelijk van christenen een initiatie tot eenwording en integratie via een proces van wederzijdse identifikatie tussen vrouw en man.
Als jullie het mannelijke en het vrouwelijke
tot één en hetzelfde maken
zodat het mannelijke niet meer typisch mannelijk
en het vrouwelijke niet meer typisch vrouwelijk is,
(. . .) dan zullen jullie binnengaan in het rijk. (Ev. Th. 22).
Volgens het huwelijks-evangelie luidt het dat Jezus kwam om de scheiding te kunnen herstellen die er vanaf het begin was,
en om de twee opnieuw te verenigen,
en om leven te kunnen geven aan hen
die dood zijn gegaan ten gevolge van de scheiding. (Ev. Fil. 78).
Dit proces van éénwording is een lang en moeizaam gebeuren dat zich pas voltrekt wanneer de betrokken partners hun eigengereidheid kunnen loslaten om zich, vanuit erkenning en inleving, stilaan te vereenzelvigen met de ander. Men wordt dan tot ander. Men ver-andert. Men verandert tezamen met de ander tot een stuk ééngeworden leven dat de éénheid van de totaliteit weerspiegelt.
De doelgerichte Adam die éénwording wil bereiken zal vragen: ‘Wanneer bereiken wij dat?’. Eva schudt zachtjes het hoofd: ‘Het is er wanneer we er naar zoeken, wanneer wij er ons voor openstellen. En toch is het er ook nooit, want we zijn maar op weg.’ De mannelijke cultuur wil effect hebben en resultaten zien. De man produceert. Hij maakt, hij fabriceert, hij schept strukturen en organisaties. De vrouw baart leven door zich in te schakelen binnen natuurlijke processen. Zij zoekt intuïtief hoe dingen tot ontwikkeling komen, door er ruimte voor te scheppen. In tegenstelling tot het “maken” is er het groeiproces, de zwangerschap, het baren, het ‘verwekken’, de ontwikkeling vanuit de innerlijke natuur der dingen.
Hij die het vermogen om te ‘maken’ heeft ontvangen is een maaksel.
Hij die het vermogen heeft ontvangen om te ‘verwekken’ is iemand die geboren wordt. (Ev. Fil. 121).
Wie zich dus vereenzelvigt met het ‘maken’ wordt zélf dat ‘maken’, wie één wordt met het ‘laten geboren worden’, wordt geboren. Het huwelijk tussen christen man en vrouw is dus méér dan een onderlinge éénwording. Deze lijfelijke, existentiële, seksuele eenwording is tevens een initiatie tot een hogere éénwording met het grotere organisme waar we deel van zijn. Voor zover men ook buiten de kerkelijke religie onder ‘spirituele dimensie’ dit hogere bedoelt, is het huwelijk voor elkeen een uitnodiging én inleiding tot het spirituele beleven. Het ‘handelen’ dat daaruit voortvloeit zal uiteraard ook daardoor gekleurd zijn. Eerder dan produceren, fabriceren en maken en kontroleren en beheersen, zal het nu heten: laten gebeuren, zich inschakelen in het wordingsproces van de mensheid en van de kosmos, verantwoordelijkheid opnemen binnen het verloop van de processen waar we deel aan hebben.
Binnen een integraal en integrerend handelen wordt het ‘maken’ opgenomen in het ‘laten gebeuren’.
Hij die maakt, kan niet verwekken.
Maar hij die verwekt heeft ook de macht om te maken. (Ev. Fil. 121).
De tegenstelling tussen de beide opties wordt overbrugd door beider integratie, door de wederzijdse identificatie. De vrouw is met haar man ééngeworden in het bruidsvertrek.
Zij die in het bruidsvertrek één geworden zijn
zullen niet meer worden gescheiden. (Ev. Fil. 79).
(1) Evangelie van Filippus (ontdekt in 1945), eerste uitgave in het engels in 1977, in het Nederlands, Amsterdam, Karnak, 1985, 64 pp.
(2) Gabriele RICO, Learning the natura! way, Seattle.
(3) zie eenzelfde analyze bij: Frits SMEETS, Toekomstdenken; over de zegeningen van het nietsdoen en de vaak rampzalige gevolgen van goede bedoelingen, in Kaos 13 (1987) 63-70.
