De werkelijkheid bejegenen.

De term relatie verwijst zowel naar tussenmenselijke betrekkingen als naar samenhangen in de maatschappij, de natuur en de kosmos in het algemeen. En dat is maar gelukkig ook. Want wij beschouwen de tussen menselijke relatie als zijnde slechts één vorm van een universeel kosmisch gebeuren. Zodra twee verschillende materies elkaar raken, ontstaat er in het contactzone· een relatie d.i. een dynamische verhouding, een bewegingsvorm, een uitwisseling (zie 112-3,4) met karakteristieken die op analoge wijze terug te vinden zijn in de mens-mens-relaties.

De term bejegening staat voor de actieve betrokkenheid van een mens op een medemens of op een fysieke werkelijkheid. Vanuit de beschouwing over hoe een mens de materiële realiteit bejegent kunnen wij aandacht krijgen voor een aantal karakteristieken van hoe mensen elkaar als mensen bejegenen. Zo zal de omgang met de materiële dingen ons tot inleiding dienen naar het ambacht van de tussenmenselijke omgang.

Laten wij ons deze kwestie concreet voor ogen stellen. Wij maken kennis met AbdalAziz, een man die woont in Fès en kammen maakt. Om aan het hoorn van zijn kammen te geraken koopt hij bij de slagers ossenschedels. Deze droogt hij in een gehuurde opslagruimte, haalt er de hoorns uit, splijt deze in de lengte en buigt ze recht boven een vuurtje. Dit laatste moet met de grootste zorgvuldigheid gebeuren, anders breken ze af. Uit deze grondstof snijdt hij kammen. Dit doet hij op een eenvoudige draaibank die hij in beweging houdt door met zijn linkerhand een soort beugel te bedienen. In zijn rechterhand houdt hij het mes en met zijn voet bedient hij het tegengewicht. Een oogziekte heeft hem halfblind gemaakt. Maar door zijn lange ervaring kan hij meer ‘aanvoelen’ dan zien wat hij doet.

Hij heeft deugd aan zijn arbeid. Maar hij klaagt dat hij door de invoer van plastic kammen minder verdient dan vroeger. ‘Het is doodjammer’, zo zegt hij, ‘dat de mensen alleen maar om het prijsverschil liever een slechte fabriekskam kopen dan een hoornen kam die veel langer meegaat.’ Maar het gaat hem niet alleen daar om. ‘Het is ook zinloos dat een man bij een machine staat en gedachteloos steeds dezelfde beweging moet herhalen, terwijl een oud ambacht als dit van mij verloren gaat’ (2).

Deze kammenmaker bejegent het hoorn niet alleen met kunde maar ook met liefde. Hij was opgeleid in de mohammedaanse gilde van kammenmakers. Onder invloed van het Soefisme was er sterk de nadruk gelegd op de geestelijke en zedelijke grondslagen van het vakmanschap. Vakmanschap diende een uiting te zijn van de innerlijke gemoedstoestand van de ambachtsman, ongeacht de economische of andere beloningen die hij voor zijn werk ontving.

Het is de moeite waard om stil te staan bij het werk van zo’n man. Hij kan ons tonen hoe hij omgaat met de dingen. Veel te makkelijk menen wij dat wij iets kennen van de tussenmenselijke omgang, terwijl wij de kunst verloren zijn van het omgaan met dingen waardoor wij de smaak niet meer te pakken hebben van het ‘bejegenen’ van de werkelijkheid. Waar gaat het eigenlijk om? Hoe verloopt deze bejegening? Kunnen wij terugvinden wat natuurlijk en vanzelfsprekend en bevrijdend is? Welke slechte gewoonten of slordigheden hebben wij terug af te leren?

JEGENS: JUIST WAARNEMEN

Stel dat wij ons inleven in de kammenmaker. Wij komen in een slagerij. Tussen de immense veelheid van prikkels die in princiep onze zintuigen kunnen beroeren, is er een bepaald geluid, of een beeld of een geur die wij scherper gewaarworden en die als een vorm gestalte krijgt tegen de chaotische achtergrond. Wij spitsen ons oor. Wij focussen ons oog. Wij stemmen onze zintuigen af op een contactname met ‘iets’ dat zich aanmeldt in ons bewustzijn (zie KREAKT: 046-4). Deze contactname zal pas tot stand komen wanneer wij intuïtief aanvoelen dat de gecontacteerde realiteit acceptabel is voor ons bewustzijn. Wordt ons bewustzijn door deze contactname te zeer bedreigd of gestoord, dan zullen wij ons voor die realiteit afsluiten, er ons van afkeren, ze negeren, 8r verder geen aandacht aan wijden. Wij begrijpen dat naarmate ons bewustzijn zich steviger voelt, naarmate het soepeler en veerkrachtiger is, het ook des te makkelijker disponibel zal zijn om contact te nemen met hetgeen onze aandacht trekt. Dan wordt onze aandacht gaande gehouden. Dan blijven wij bij deze realiteit stilstaan. Wij zijn niet alleen “gefixeerd” op de ossehorens; wij zien ook een heel aantal andere interessante dingen, zelfs dingen die we in deze slagerij nog nooit gezien hebben.

Maar wat is waarneming eigenlijk? Het is niet zo dat de ossehorens een soort verkleind beeld van zichzelf naar onze zintuigen sturen. Waarneming is veeleer een beeld” of een soort schilderij dat door ons bewustzijn samengesteld wordt met allerlei patroonstukjes die het reeds ter beschikking heeft (4). Ook al is onze waarneming maar een soort collage-schilderij van de realiteit, zij probeert zich zo goed mogelijk af te stemmen op deze realiteit, zodat zij er een analoge vorm van aanneemt, zo ongeveer zoals de tangetjes van de tandarts de vorm aannemen van de te verzorgen gaatjes in de tand (zie SEMANT: 026-3).

De waarneming zal de realiteit des te waarheidsgetrouwer bejegenen in de mate zij zich durft over te geven aan het onbekende. De aandacht blijft op scherp zolang wij durven blijven beseffen dat de realiteit voor onze waarneming alsnog grotendeels onbekend en onvatbaar is. Als wij de realiteit evenwel niet bejegenen maar objectiveren, dan herleiden wij het waargenomene tot datgene wat wij er al van weten. Dan is de waarneming niet veel meer dan een herkenning van enkele sleutel-karakteristieken waardoor wij vlug merken: ‘Ha ja, dat is een ossehoren, dat kunnen wij meenemen.’ Dit is een puur utilitaristische, geen bejegenende waarneming. Met dit soort waarneming zullen wij nooit iets ‘nieuws’ ontdekken.

Wie de werkelijkheid waarneemt vanuit een bejegenende ingesteldheid zal zijn waarneming voor falsifiëring• beschikbaar houden. Hij blijft zoeken. Zijn bewustzijn blijft voldoende disponibel om betere beelden te ontwerpen waardoor de realiteit van dichterbij benaderd kan worden. Gelukkig kennen wij de binoculaire waarneming, d.w.z. dat wij beseffen dat de waarneming door het linker oog lichtelijk verschilt van de waarneming door het rechter oog: door het verschil of de differentiaal tussen beide waarnemingen nemen wij iets totaal nieuws waar, nl. perspectief of dieptezicht (1). Zo zullen twee of meer verschillende waarnemingen van eenzelfde realiteit (b.v. vanuit verschillende disciplines) een juister en vollediger zicht geven op de realiteit dan een eenogige blik. Bejegenend waarnemen wil dus zeggen: meerdere ogen ontwikkelen, of zich behelpen met meerdere brillen, en zich voortdurend laten verwonderen door het onbekende. Uiteraard zal deze bejegenende waarneming de realiteit nooit kunnen ‘grijpen’ en ‘vastleggen.’ Zij zal de realiteit wel kunnen betasten en er zichzelf aan aanpassen zodat het bewustzijn meer en meer de vorm aanneemt van de waar te nemen wereld. Dit is de ingesteldheid die onze kammenmaker vanuit zijn opleiding had meegekregen.

JEGENS:ERKENNING

De kammenmaker plooit behoedzaam de ossehoren open boven zijn vuurtje. Uit zijn handeling spreekt respect voor de materie. In zijn halfblindheid betast hij het hoorn terwijl hij vanuit zijn innerlijke gemoed deze materie laat zijn wat ze is: vaal ivoorachtig bruin, zacht-benig om voelen, iets ruwer van textuur dan onze eigen vingernagels. In dit bejegenen van de fysieke realiteiten is er erkenning voor de hoedanigheid ervan. Door een objectiverende verzakelijking is er enkel aandacht voor de onmiddellijke bruikbaarheid ervan. Vele autochauffeurs hebben geen oor en geen aanvoelen voor het slepen of trekken of ronddraaien of kloppen van de motor; zij stellen zich tevreden met het feit dat hij rijdt, punt. De ware liefhebber leeft zich in in zijn motor. Men zegt dat hij er een empathisch aanvoelen van heeft.

Dit bejegenend erkennen en invoelen van de realiteit veronderstelt dat wij ons niet blindstaren op het beeld dat wij ons van de realiteit maken, maar dat wij betrokken blijven op de uiteindelijke realiteit die zich niet helemaal in het beeld kan tonen. Erkenning is de contactgerichtheid op de nooit geheel door het beeld te omvatten werkelijkheid. Daarom dringt de erkenning dieper door in de werkelijkheid dan de waarneming. Erkenning respecteert het mysterie dat achter de verschijning der dingen verborgen is en neemt contact met wat onuitgedrukt blijft. En daardoor onthult de erkenning ook feiten en facetten die voor de directe en objectiverende waarneming verborgen blijven. De ambachtsman die zijn machines erkennend bejegent “hoort” of “voelt” als er iets verkeerd loopt, ook al kan hij zijn vinger niet leggen op een direct waargenomen feit. Hij roept bijtijds de mekanieker er bij, en jawel die ontdekt het euvel en kan daardoor een dreigende breuk voorkomen. De gevoelloze ambachtsman beluistert zijn machines niet; dat is volgens hem het werk voor de mekanieker bij het gebruikelijke nazicht; is er machinebreuk, dan geeft hem dat enkel wat extra pauze terwijl de mekanieker het maar moet uitzoeken.

Vanuit zijn bejegenende ingesteldheid voor de materiële werkelijkheid heeft onze kammenmaker geleerd om zich lotsverbonden te weten met de materie. Door zijn erkenning van de fysieke werkelijkheid zal hij zijn grondstoffen en zijn gereedschap toewijden aan datgene waarvoor ze bestemd zijn en waartoe ze de kwaliteiten in zich hebben. Hij zal grondstof en gereedschap aldus tot hun volste recht laten komen. Het is als een soort be-amen van de natuur der dingen. Pas door een erkenning kan de externe realiteit zich voor ons bewustzijn verwerkelijken.

JEGENS: GEWAARWORDING

Het bejegenen der dingen brengt iets in beweging in de mens zelf. Hij wordt door de contactname met de dingen ook zelf door dié dingen aangedaan. Soms zelfs ontroerd. De wereld der dingen brengt iets teweeg in de mens, als deze er zich tenminste toegankelijk voor maakt. Als een kammen maker met aandacht zijn ossehoorn betast, dan “doet” hem dat iets. Hij voelt er bewondering voor, of hij raakt er door geïrriteerd, of het roept vragen op. In de mate de mens zichzelf meer betrekt op de dingen, beïndrukken deze hem ook sterker. Zij laten een indruk* na in zijn gemoed. De gewaarwording is de subjectieve indruk die wij opdoen van de realiteit buiten ons. De gewaarwording is niet onmiddellijk afhankelijk van de kwaliteit van onze erkenning of onze waarneming. Wij doen evenzeer gewaarwordingen op aan de hand van slecht waargenomen of verkeerd waargenomen realiteiten. Bij het ware bejegenen van de realiteit zorgen wij er evenwel voor dat onze gewaarwording stoelt op een juiste waarneming en een degelijke poging tot erkenning. Dan pas zullen de gewaargeworden indrukken ons verder helpen in het bejegenen van de werkelijkheid.

Door de innerlijke gewaarwording wordt de externe realiteit tot een werkelijkheid die er voor mij is. Het bejegenen is altijd praktisch gericht. Van daaruit gezien is elke externe realiteit alleen maar werkelijk voor zover Ze met mij in relatie staat. Doordat ik er mij voor open stel wordt de externe realiteit der dingen werkzaam voor mij. De realiteiten die “op zich” wel bestaan maar waar ik geen enkel contact mee opneem, worden niet in onze wederzijdse werkzaamheid betrokken. De bloemen stralen ultraviolet licht uit naar mij, maar ik kan dit niet waarnemen en zodoende beïndrukt het mij niet; het ultraviolette licht is voor mij geen werkzame werkelijkheid geworden, tenzij ik door middel van apparatuur er wel contact kan mee opnemen. In dat laatste geval zal dat ultraviolette licht me ook beïndrukken.

De cultuur van de innerlijke gewaarwording is het domein van de dichterlijke aanleg in ons. Het poëtische gevoel leeft in mij op wanneer ik mij innerlijk laat raken door wat ik waarneem en erken. Ik stel mij dan open voor de ervaring die ik aan de dingen kan opdoen. Ik wil graag ondervindelijk contact krijgen met de hoedanigheid der dingen. Ik wil het zelf zien en betasten, en ondervinden. Dan pas zal ik zeggen: Nu weet ik wat het mij doet.

Bij deze fase van de bejegening is de waarnemer gericht op dat poëtisch gevoel voor de taal der dingen en voor de achterliggende boodschappen die er voor mij in verborgen liggen. Als waarnemer ben ik nu gericht op wat het ding voor mij betekent. Ik proef wat er voor mij mooi of goed of wijs aan is. Het ding gaat mij ter harte. Daarin laat ik mij uiteraard door veel méér aanspreken dan door het louter nuttigheids- of bruikbaarheidsfacet ervan. Ik geniet het deugddoende ervan. Ik stel mij open voor de waarde die ook de eenvoudigste dingen voor mij kunnen hebben. Een kam is meer dan een consumptiegoed; het is iets waar ik kwaliteit aan heb ervaren en deze kwaliteit doet mij goed in mijn binnenste binnen. Vandaar is ook elke dichterlijke contactname een unieke gebeurtenis.

Maar wat als de waargenomen realiteit mij beïndrukt als iets pijnlijks, iets bedreigends of weerzinwekkend? Wat als onze korte vakantietijd vergald wordt door storm en regen en kou? Wat als onze waterlopen vervuild zijn? Wat als ons gereedschap versleten is en stuk gaat? Kunnen wij dergelijke realiteiten ook bejegenen? Ja, als wij de werkelijkheid ervan ten volle tot ons durven laten doordringen. Dan houdt ze ook een boodschap voor ons in. Dan leert het ongemak ons hoe wij met pijn en crisissen en begrenzingen om kunnen gaan (zie 019).

JEGENS: EIGEN EXPRESSIE

Wie zichzelf laat bewogen worden door de hoedanigheid der dingen, zal er in zichzelf door veranderd worden. Hij wordt er innerlijk door herordend. Hij herschept zichzelf. Hij doet iets in zichzelf met de indrukken die hij in zich ervaart. Wie zichzelf bewust durft en kan zijn van zijn ervaring, zal deze voor zichzelf verwoorden of verbeelden en zodoende in zichzelf werkzaam zijn. Hij voedt zich aan datgene wat op hem afkomt en aan wat hij daarvan als een ervaring binnen laat komen. Doordat de externe wereld voor hem in zijn binnenste tot werkelijkheid wordt, wordt hij ook voor zichzelf tot werkelijkheid.

Doordat de externe realiteit nu tot werkelijkheid geworden is in de mens, wordt dit tot een werkelijkheid van de mens. Het ding is, bij wijze van spreken, doorheen de mens gegaan en komt nu te voorschijn als iets van de mens zelf. De dichter wil nu uiting geven aan de door hem opgedane indrukken.

Door de dingen op zich te laten inwerken, ordent de mens zichzelf en krijgt hij ruimte voor creativiteit. De contemplatie leidt tot zelfschepping. In en door de bejegening groeit, impliciet of expliciet, een vorm van zelfexpressie. In en door het bejegenen wordt een mens een tikkeltje meer zichzelf. En daar wil hij uiting aan geven. Pas door de eigen menselijke uitdrukking ervan wordt de gezamenlijke ding-mens-betrokkenheid tot zichtbare werkelijkheid. Onze man uit Fès legt iets van zichzelf in de kammen die hij snijdt. Ik leg iets van mezelf in deze tekst die ik schrijf. leder zoekt zich in de omgang met dingen een ruimte om zichzelf te zijn, om zichzelf te uiten, om zichzelf te verwerkelijken. Bij het bejegenen der dingen is men zich er van bewust dat deze verwerkelijking enkel maar kan gebeuren in samenspraak en in wederzijdse betrokkenheid met de externe dingen. Geen enkele menselijke beleving wordt tot werkelijkheid tenzij ze zich materialiseert en concretiseert.

Bij de industriële vormgeving heet dat de design: de gaafheid van de vorm die uiting is van de innerlijke gaafheid van de ontwerper. In de design uit zich vooral de geest van de ontwerper voor zover deze de materiële mogelijkheden van de materie op zich heeft laten inwerken. De ontwerper kan zich uitleven in zijn vormgeving. Men denke bijvoorbeeld aan de Japanse tuinarchitect die in dialoog met rotsen en keien en water en planten een samenhang creëert waarin hij het wezen van ieder der dingen in hun onderlinge schikkingen tot uiting laat komen. De kunstzinnige ontwerper is een meester in het bejegenen der dingen. Hij weet, vanuit een indringende waarneming en erkenning, waar de dingen zich toe lenen. Hij laat deze kwaliteiten door zich heen gaan. Hij laat er zich door beroeren tot zij in zijn eigen gemoed een zuivering en verheldering tot stand brachten. En deze vernieuwende, innerlijk geworden hoedanigheid brengt hij nu naar buiten in de vorm die aan het materiaal wordt gegeven, zonder dit materiaal geweld aan te doen. Ja, veeleer komt nu pas het materiaal tot zijn volste recht. ·

Creativiteit is de vrucht van een intensieve bejegening van de mens met de dingen. Het is niet zo dat de menselijke geest binnenin zichzelf op zoek gaat naar ideeën en belevingen, waar hij dan vervolgens vorm en gestalte aan geeft in de uiterlijke wereld. Het is veeleer de wereld die in de menselijke geest binnengelaten wordt en die doorheen deze bewustwording verwerkelijkt wordt tot een hogere kwaliteit van zijn. De mens is, in het bejegenen, slechts een kanaal waardoorheen de wereld voorbijkomt en waardoor deze wereld geordend en gezuiverd wordt. Tenzij het verkeerd gaat, tenzij de mens de wereld niet bejegent maar verbruikt, en daardoor deze wereld zijn kwaliteiten ontneemt en verloederd achterlaat op de schroothoop der misbruikte en verkrachte dingen.

JEGENS: NADRUKKELIJKE BEINVLOEDING

In het bejegenen van de werkelijkheid is de mens er uiteindelijk ook op gericht om de materiële dingen te manipuleren, dw.z. om te vormen tot andere dingen, ze te gebruiken, ze een andere bestemming te geven, ze te laten groeien. Als we geven om de dingen, dan gaan we er met toewijding mee om. Wij zorgen er voor dat onze kamerplanten licht en water krijgen. Wij onderhouden ons gereedschap. Wij maken onze leef- en werkruimten schoon. Wij werken mee aan het in stand houden van de kwaliteit der dingen. Wij cultiveren de ons omgevende natuur. En wij vegen onze stoep.

Het bejegenen is een zeer pragmatische aangelegenheid. Uiteindelijk willen wij huizen bouwen, straten en parken aanleggen, nieuwe producten maken, voedingsgewassen telen, dieren kweken, markten creëren, ruilhandel organiseren. Als onze waarnemingen niet juist en accuraat waren, zodat onze gewaarwordingen voor het grootste deel uit vage of fantasierijke constructen bestaan, dan zullen wij de realiteit niet naar onze hand kunnen zetten. Onze bejegening zal dan de toets van de verwerkelijking niet doorstaan. Wij zullen onze gewaarwordingen en de expressies daarvan niet kunnen omzetten in een pragmatische hanteerbaarheid van de wereld. De wereld zal aan onze greep ontsnappen en als enige boodschap spreken: neem beter waar, fantaseer minder, projecteer jezelf niet in de dingen, bekijk en betast en onderzoek tot je ons in onze wezenheid ontmoet, en dan zal je iets met ons kunnen doen.

Het gebruiken der dingen gebeurt vanuit een bejegenende ingesteldheid waar dingen opgenomen worden binnen grotere gehelen of binnen andere organismen. Voedsel en drank worden opgenomen in het menselijk lichaam en daarbinnen ontbonden zodat sommige bestanddelen ervan gebruikt worden tot opbouw of behoud van het menselijk organisme. Hetzelfde kan gezegd worden van vele materiële dingen die opgenomen worden in complexer functionerende gehelen. Olie dient om een machine te smeren. Meststoffen dienen om de teelaarde te verrijken. Auto’s dienen om mensen en goederen te verplaatsen.

Bij een bejegenend gebruiken der dingen blijft de zorg voor de dingen bestaan. Bij een puur verbruiken worden de bestaande zijnsvormen niet gerespecteerd en opgenomen in hogere organisatievormen. Ze worden verspild, vernietigd, vervuild, verkracht en tot lagere zijnsvormen gereduceerd. Dit gebeurt makkelijker binnen een verzakelijkte omgang met de dingen. Maar naarmate er meer bejegening en dichterlijkheid mogelijk zijn bij de mens, zal deze ook met meer toewijding omgaan met de wereld en deze niet zo sneu verbruiken.

Onze samenleving is gekenmerkt door een zeer hoge graad van technische beheersing van de wereld. Dat brengt mee dat vele dingen enkel nog waargenomen worden vanuit hun instrumentele betekenis en de technisch ingestelde mens bekijkt de dingen ais middelen om er iets mee te doen naar andere dingen. Men laat het oog en de geest niet verwijlen bij het ding zelf maar bij de handeling die met dit ding mogelijk wordt. Het zou kunnen dat onze fameuze kammenmaker dusdanig opgaat in het produceren van kammen dat hij geen oog meer heeft voor zijn eigen gereedschap. Beseft hij hoe de draaibank draait? Hoe ze gesmeerd loopt of tegentrekt? Bedient hij zijn beugel met dezelfde toewijding als deze waarmee hij zijn karn bejegent? Zijn Soefi-opleiding zou hem geleerd hebben om met niets op een puur instrumentele manier om te gaan, dus ook niet met zijn eigen gereedschap. Hij weegt het heft van zijn mes in de hand. Het is lichtjes uit balans. Met een ander mes en met wat schuurpapier zal hij de design ervan verbeteren.

JEGENS: SPIRITUEEL SAMENBRENGEN

LIEFDE

De werkelijkheid bejegenen wil zeggen: er liefdevol mee omgaan, ze niet objectiveren en daardoor opdelen in afzonderlijke stukjes, maar ze helen en alles in een grotere samenhang thuisbrengen. Vanuit het bejegenen der dingen kunnen we intuïtief aanvoelen wat liefde is. Liefde is het samenspel waarbij de betrokkenen op hun best naar voren kunnen komen (3). Zo zal in een liefdevol omgaan met de dingen én de mens zelf én de dingen hun optimale vorm vinden. Doordat in de bejegening van de werkelijkheid de dingen als het ware doorheen het bewustzijn van de mens gaan, zullen zowel dat bewustzijn als de dingen die er doorheen gaan in kwaliteit* toenemen. Liefde is, in deze zin begrepen, schepster van kwaliteit. Zij zorgt voor optimalisatie’. Zij brengt in de dingen de mogelijkheden tot ontwikkeling die er in verscholen liggen.

Uit dit alles moge duidelijk worden dat de werkelijkheid niet gelegen is in de afzonderlijke termen van de relatie, in het ding op zich of in de mens op zich, maar in hun onderlinge bejegening. Praktisch gezien bestaat de uiterlijke werkelijkheid maar in de mate waarop ze door de mensen bejegend wordt. En haar bestaanskwaliteit is dan ook afhankelijk van de wijze waarop de mens er zich op betrekt. Ook de mens kan zich pas verwerkelijken door zijn omgang met dingen en medemensen. Hij kan pas zelf beter worden wanneer hij de werkelijkheid ten goede keert.

Wie de fysieke werkelijkheid niet bejegent zal ook de medemens niet weten te bejegenen. Aan de omgang met de dingen oefent men zijn omgang met de mensen. Het gaat hierbij immers om zeer fundamentele innerlijke houdingen die niet zomaar door een vingerknip aanwezig gebracht worden. Wat hier bejegening wordt genoemd kunnen wij ons maar gaandeweg eigen maken. Het zal elke dag opnieuw aandacht en oefening vergen. Maar het lijkt mij een basishouding te zijn waar onze huidige cultuur aan toe is. Willen onze bedrijven, onze onderwijsinstellingen, onze gezinnen overleven binnen een steeds meer verzakelijkte en consumerende maatschappij, dan zal er dringend werk moeten gemaakt worden van een liefdevoller omgaan met dingen en mensen zodat er meer kwaliteit tot ontwikkeling kan komen. Zonder kwaliteit valt er niet te overleven.

(1) Gregory BATESON, Mind and Nature, a necessary unity, New York, Bantam Books, 1979.
(2) T. BURCKHARDT, Fès, Stadt des lslams, Freiburg 1960.
(3) Marianne DERKS, Spreken over liefde, seksualiteit en geluk in het medisch onderwijs, in: M. DERKS en A.K. SLOB (Red.), Liefde, seksualiteit en geluk, een modern taboe?, Deventer, Van Loghum Slaterus, 1988, p. 16.
(4) Humberto MATURANA, De boom der kennis; hoe wij de wereld door onze eigen waarneming creëren, Amsterdam, Contact, 1989.