In tijden van strijd en oorlog vraagt men zich beangstigd af of onze menselijke beschaving dan nog steeds geen methode ontwikkeld heeft om ruzie en conflict op een constructieve en menswaardige manier aan te pakken.Toch wel, als de betrokken partijen de voorafgaandelijke grondvoorwaarden daartoe in praktijk weten te brengen. De allereerste grondvoorwaarde is de bejegening van elkaar, zij het vriend of vijand. De zes voornaamste karakteristieken van de bejegening vatten we samen door de letters van het letterwoord ‘JEGENS‘
JEGENS JOU
Onder ‘bejegening’ verstaan we de actieve betrokkenheid op de medemens, en deze kan vriendschappelijk van aard zijn of vijandig of ontwijkend. Het kenmerkende van de bejegening is dus niet de zachtaardigheid of het hartverwarmende ervan, maar de aktieve betrokkenheid. Wat betrokkenheid is kunnen we achterhalen door stil te staan bij het hemelsbrede verschil dat uitgedrukt wordt door twee voorzetsels als jegens en tegenover.
Sta je tegenover iemand anders, dan blijf je zelf buiten schot. Je plaatst de ander aan de over-ant. En je kijkt er tegen aan. Je kan de ander objektief benaderen, zoals men ook in de wetenschap zijn voorwerp van studie objektief benadert. Je kijkt naar de ander, je probeert hem te begrijpen en je vormt je over de ander een oordeel, dat gunstig of ongunstig zal uitvallen. Bij dit alles voel je jezelf uiteraard niet medeverantwoordelijk voor wat die ander doet of is. Je behoudt een zekere afstand, je staat er boven, je buigt je over je onderzoeksobject. In zekere zin sta je als de oordelende meerdere (supermacht) boven de mindere die zich moet bewijzen.
Ga je een relatie aan jegens iemand, dan weet je dat je steeds ook zelf in deze relatie betrokken bent. Je weet je medeverantwoordelijk voor de ander en voor hetgeen zich in jullie wederzijdse betrokkenheid afspeelt. Je gaat er van uit dat het kontakt een geza-menlijk gebeuren is. Je ontwerpt mee wat de ander wel of niet kan doen. Je bevestigt of je ontkracht de ander door de wijze waarop je op hem reageert. De ander wordt aldus een deel van jezelf, zoals jij ook zelf een deel wordt van de ander door de wijze waarop deze jou bejegent. Het jegens is altijd een samen. In plaats van vanop afstand over de ander te praten, zal je hem aanspreken als een “jij”, of je samenvoegen tot een ‘wij’.
Staan we tegenover een vijand, dan verloopt diens leven buiten onze verantwoorde-ijkheid. Wij kunnen de vijand negeren, of haten, of vernietigen: hij zal er zelf verantwoordelijk voor zijn. Wij stellen ons oordeel, onze princiepen, ons geloof, onze emoties bovenaan, hoog boven het leven van de vijand. De vijand wordt herleid tot een ding, een regime, een houding, een imperialisme, kortom tot iets wat vernietigd mag worden. Betrekken wij onszelf in een relatie jegens een vijand, dan beschouwen wij deze als onze eigen schaduwzijde. De vijand is een opponent, maar een opponent binnen een gezamenlijke betrokkenheid. Hij verdedigt belangen die tegengesteld zijn aan onze eigen belangen, maar wij gaan er van uit dat ieder pas zijn eigen belangen zal kunnen behartigen als hij zich medeverantwoordelijk stelt voor de belangen van de tegenpartij.
In de vriendschap kunnen wij eenzelfde hemelsbreed verschil meemaken. Vrienden die tegenover elkaar blijven staan, beleven hun genegenheid en hun toewending naar elkaar als ondergeschikt aan het objektieve oordeel over de zinvolheid van de relatie. leder kan, als het eigenbelang of het persoonlijke gevoel daartoe nopen, eenzijdig het vriendschapsverbond opzeggen of laten verwateren. Vrienden die zich jegens elkaar betrokken voelen, blijven aan elkaar gehecht als aan een deel van zichzelf. Als mijn vriend me pijn doet, dan denk ik niet alleen aan mijn eigen pijn, maar dan blijf ik denken aan de pijn van mijn vriend van waaruit mijn vriend me pijn doet.
EERLIJK ERKENNEN
Zoals onze ogen en oren niet écht de zintuiglijke werkelijkheid waarnemen, zo neemt onze geest niet écht de medemens waar zoals hij werkelijk is. Wij vormen ons een beeld over de werkelijkheid. Ook als wij zeer aandachtig kijken en luisteren naar onze vriend of vijand, krijgen wij geen foto van diens werkelijkheid in onze geest afgedrukt. Wij maken ons een schilderij of een collage, waarbij wij gebruik maken van beelden, concepten, ideeën en projecten die in onze geestcomputer zijn opgeslagen. Wij proberen ons beeld zo nauw mogelijk te laten aansluiten bij de werkelijkheid; maar de werkelijkheid ont-snapt altijd nog aan ons beeld ervan. De ander is nog altijd heel anders dan wat wij er ons van kunnen voorstellen.
Sta je objectiverend tegenover je medemens, dan volstaat een partiëel oordeel: je leerling kent zijn les of kent zijn les niet, punt, basta. En je kan je medemens diensvolgens inpassen in je handelingsschema: je geeft een straf of een beloning. Verder geen probleem. Het wordt moeilijker wanneer je jezelf betrekt in de relatie jegens je medemens: dat je leerling zijn les niet kent, daar zit jij ook voor een deel tussen. Als je hem straft, straf je ook jezelf. Wat je de ander aandoet, dat doe je jezelf aan. Als je de ander aankijkt, dan zie je in die spiegel jezelf: in je vriend zie je je mooie kanten, in je vijand zie je je kwalijke kanten.
Onze beeldvorming over de ander is dus steeds voor korrektie vatbaar. Als wij ons vlug gevormde oordeel kunnen relativeren, dan kan onze waarneming (die altijd beeldvor-ming is) zich wijzigen, zich verdiepen, de werkelijkheid een stapje dichter benaderen. Ons beeld ontstaat steeds vanuit een subjektief perspektief. Een perspectiefwijziging kan tot een beeld-wijziging leiden.
De levenskunst die erkenning heet, is hierin gelegen dat wij blijven zoeken om te zien wat wij nog niet zien. Hoe meer tijd en aandacht je besteed aan het betasten en bekij-ken en beluisteren van andermans werkelijkheid, hoe meer je verwonderd zal raken over al watje eerst nog niet gezien noch gehoord noch betast had. De contact-verdleplng is onuitputtelijk. Je kan in dit erkennend kontakt met een medemens soms voeling krij-gen met zijnskwaliteiten die deze mens niet eens zélf vermoedt. Je zal ook voeling krij-gen met die diepere onvolkomenheden en schaduwzijden waar zowel je medemens als jijzelf de pest aan hebben.
Erkenning is openheid voor het ultieme mysterie dat zich in de medemens en in de wer-kelijkheid in het algemeen voordoet. Als je vanuit een diepe erkenning en met verwonderde ogen je vriend bejegent, dan wordt deze.het raam in het heelal langswaar het onbekende, O!lnoembare en persoonlijke gelaat van de diepste en ultieme werkelijk-heid voor jou zichtbaar wordt. Hetzelfde geldt bij je erkenning jegens je vijand. Als je wat je vijandelijk vindt met open ogen aanschouwt en erkent, dan wordt je vijand het zwarte gat langswaar voor jou helder wordt wat je mist aan licht. In de bejegening zijn immens licht en duisternis facetten van één gezamenlijke betrokkenheid.
De eerlijke beeldvorming (meestal waarneming genoemd) en erkenning vormen een eerste stap bij de bejegening. In de mate wij eerder uitgaan van objektiveerbare kennis, spreken wij van wetenschap. De wetenschap vormt zich een zo mogelijk onomstootbaar oordeel over de wezenheid der dingen. Maar juist over het meest wezenlijke en meest persoonlijke waarmee een mens kontakt kan opnemen, is wetenschap onmogelijk. Daar belanden wij in het domein van de ervaring. Zodra wij de dingen, de natuur, de medemens bejegenen, raken wij betrokken in een ervaringsproces. In onze bejege-ning vaart de ander door ons heen. En wij varen door hem heen; Voor zover je respectvol de ander zichzelf laat zijn, erken je de ander. En daardoor wordt deze bevestigd in wat hij is. Hij kan zichzelf zijn in de mate jij hem in zijn andersheid zichzelf laat zijn. En pas in de mate hij zichzelf kan zijn zal hij zich écht aan jou kunnen openbaren.
GEWAARWORDING EN GEVOEL
Als je vanuit een eerlijke luisterbereidheid en erkenning kontakt neemt met je mede-mens, dan zullen diens persoonlijkheid en diens handelingen in je gemoed een Indruk verwekken, via het beeld dat je je van die ander maakt. Het komt bij je binnen. Via het zintuiglijk en geestelijk ontstane beeld word je door andermans werkelijkheid aangedaan, op aangename of op onaangename wijze. Het beroert je. Je wordt er iets bij gewaar. Zo is contactname de aanzet tot een innerlijke gewaarwording. Na de waarneming (eerste stap) begin je te proeven wat de werkelijkheid je doet. Carl ROGERS, Frits PERLS en vele andere menswetenschappers hebben metoden ont0 Worpen om de mens zoveel mogelijk uit te nodigen tot het gewaarworden (to be aware, awareness) en tot het herdiepen van zintuiglijk contact (sensory awareness, eutonie en haptonomie). Maar bovenal is de aandacht voor en het bewustzijn van wat men gewaar wordt van eminent belang op tussenmenselijk gebied. Vanuit de gewaarwording immers kom je in beweging. Vanuit de gewaarwording ga je reageren. Hier ligt de starter van de reaktie op de ander.
Door wat de ander je aandoet raak je misschien in de war. Of je wordt warmte en geluk gewaar. Of je raakt geïrriteerd. Je voelt je uitgedaagd. Je wordt bang. Je wordt verliefd. Je smelt, je verstijft, je bibbert. je gloeit. Al die gevoelens maken het je niet makkelijk. Zeker niet als ze sterk zijn en tot emoties uitgroeien. Warit wat moet je er mee? Hoe sterker je op de ander betrokken bent, des te sterker gaat de ander je beïndrukken. Je wordt gewaar dat er van alles in je binnenste begint te bewegen. Gevoel kan omschreven worden als de innerlijke, neurofysiologische activiteit die het menselijk organisme voorbereidt tot en aanzet tot activiteit. Hoe meer wij open staan voor onze gewaarwordingen, des te stèrker wij geconfronteerd worden met de uitnodiging tot handelen en reageren. Maar daardoor raken wij nog intenser betrokken in de bejegening. Willen wij eerder objectiverend staan tegenover de ander, dan worden we liefst niet te veel gewaar. Dan worden wij door ons gevoel niet opgevorderd om ons op de medemens te betrekken. Omdat dit makkelijker en energiebesparendIs, worden wij liever niet teveel op anderen betrokken. Vandaar hebben wij niet zo gauw oor voor vragen als: ‘Hoe voel je jezelf daarbij? Wat doet het je? Raakt het je?’. Tenzij wij ons jegens de ander betrokken willen voelen.
Het gevoel zal vooral duidelijk te ervaren zijn wanneer de handeling waartoe ze de motor op gang trekt, niet of nog niet doorgang mag vinden. Het bloed stroomt snel door de aderen, de adrenaline neemt toe, er komt een blos op de wangen, alles wil zich in aktie ontladen;,en kan of mag dat niet gebeuren, dan wordt de mens zich dit alles bewust onder de vorm van wat hij gevoelen· noemt. Gevoelens zijn dus voor de mens moeilijk als zij hem aanzetten tot handelingen die hij niet wil of niet mag ten uitvoer brengen. Of als zij aanzetten tot tegenstrijdige reacties. Om terug rust te vinden moet de mens zijn gevoelens ordenen, zijn innerlijke tweestrijd beslechten, tot enkelvoudigheid van gevoel komen.
Bij de gewaarwording doen er zich tweeërlei problemen voor. Bij sommige kontakten met een vriend of een vijand houden wij ons té zeer op de vlakte en laten wij ons té wei-nig raken. Dan stelt zich de vraag hoe wij daarbij een grotere toegankelljkhefd kun-nen verwerven, zodat wij ons meer durven open te stellen voor de indrukken die op ons afkomen. Daarbij kan het besef ons helpen dat toegankelijkheid niet hetzelfde is als instemming of afhankelijkheid. Het anderssoortige probleem is dat wij ons té zeer laten overspoelen door allerlei indrukken, waardoor wij totaal in de war geraken. Hier staan we dan voor de opgave om iets meer ontoegankelijkheid te kweken, en ons een dikkere huid aan te meten, zodat wij ons kunnen afschermen en ons kunnen beveiligen tegen het springtij van andermans emotionaliteit.
EIGENSTE EXPRESSIE
Als je jezelf door de ontmoeting laat raken, dan begint er in je binnenste een en ander te bewegen. Je voeit je bewogen worden. Diep in je hart en je gewrichten ontwikkelt er zich de neiging om op een of andere wijze op je vriend of vijand te gaan reageren. Je wil hard weghollen, of dichterbij gaan. Of gillen. Of zwijgen als vermoord. Het is in en door deze bewogenheid dat de bejegening verder vorm zal nemen. Nu gaje beginnen interfereren met diegenen die je bejegent.
Je raakt gemotiveerd, d.w.z. er ontwikkelt zich diep in jezelf een motief tot handelen, een doorleefde beweegreden. Je wil iets gaan doen ten overstaan van je vriend of je vijand. Je kan niet vanop afstand tegenover hem blijven staan. Er moet iets gebeuren. Je zal jegens hem iets doen. Je kan niet anders meer doen dan jezelf in een daad-werkelijk handelen of communiceren op de ander te betrekken.
De gedemotiveerdheid van vele leerlingen, waarover leerkrachten klagen, spruit voort uit een.gemis aan betrokkenheid, een gemis aan tussenmenselijk engagement, waar-door de oudere generatie de jongere generatie niet meer echt aan haar vel zit, en waardoor de jongeren zich niet meer laten raken door de volwassenen. Leerlingen.zitten in de klas naar de leerkracht Ie kijken als naar een anoniem TV-scherm. Als ze zich niet laten raken, dan worden ze ook niet bewogen, en dan worden ze ook niet gekonfron-teerd met een appél op wederzijdse bejegening.
Als de bewogenheid er wel is, dan heeft het motief wel enige tijd nodig om uit te groeien tot een optie waar je met hart en ziel kan achterstaan.Je neigt naar links. Je neigt naar rechts. In je gemoed heb je tegenstrijdige motieven te overwinnen. Je moet in het reine komen met jezelf. Je dient de tijd.te nemen om – zoals de volksmond het uitdrukt – er jezelf een gedacht van te maken. Zo rijpt stilaan de optie: Dit is de keuze waar je goesting in hebt, waar je smaak in krijgt (het latijnse gustus betekent smaak).
Je optie wordt steeds gedragen door een innerlijk geloof. Dit is de overtuiging dat jij zelf bent wat je denkt dat je bent, de overtuiging dat de ander is wat je gewaarwordt dat hij is, de overtuiging dat een bepaalde bejegening niet anders kan verlopen dan ze ver-loopt. Dit geloof is de vaststaande menig dat wat jij ziet en ervaart werkelijk IS zoals jij het ziet en ervaart. Maar dat geloof is meer dan dat. Het is ook, en vooral, het uitgangspunt op grond waarvan je handelt. Dit geloof is niet makkelijk te onderkennen. Het laat zich wel verwoorden onder de vorm van axioma’s, privé-stellingen die ons handelingsproces sturen: ‘Met zo’n vijand valt niet te praten; Zulkdanige vijand kan je maar met overmacht tot nadenken dwingen; Een jeugdvriend blijf je altijd trouw; Ik kan mijn kind nu eenmaal niet begrenzen, daar heb ik het temperament niet voor’. Meestal zal er in je bejegening niets veranderen zolang de onderliggende axima’s niet veranderen. Zolang ze buiten het bewustzijn gehouden worden, zijn ze niet bespreekbaar en niet kneedbaar.
Welke ook de optie zij, deze stuwt naar verwerkelijking. Zij wil zich uiten. Door de uiting komt de optie te voorschijn en begint het motief te werken.Je brengt iets tot uiting jegens je vriend of je vijand. Zodra je je optie tot uitdrukking brengt, maak je een daadwerkelijke keuze. Terzelfdertijd laat je andere mogelijke opties los. Daardoor krijgt elke optie iets uniek en onvervangbaar. Elke optie is een kans en een rlslko. Elke optie is ook persoonsgebonden. Het is iets van jezelf. Uit jè ze, dan is dit een zelf-expressie, de allerindividueelste expressie van je reactie binnen de aan gang zijnde bejegening. Aarzeling en geremdheid kan deze zelf-expressie in de weg staan. Er is vaak eerst een voorafgaandelijke innerlijke rust nodig om met onbezwaard gemoed uiting te kunnen geven aan de optie waarvan wij zeggen: Dat is de goede optie.
NADRUKKELIJK NASTREVEN
In de hele bejegening draait alles om wat er nu feitelijk gedaan wordt. Door een omzet-ting van de optie in een daadwerkelijke handeling voltrekt zich de kringloop van de bejegening. Je vriend of vijand is nu niet alleen maar via een beeldvorming op je af geko-men; je hebt er je laten door raken; vanuit deze gevoelsmatige gewaarwording ben je in beweging gekomen en heb je een optie genomen. Zet je nu deze optie in werkelijk-heid om, dan beken je kleur, dan betrek je jezelf wezenlijk in de relatie.
Je gaat over tot actie. Dit kan je ook zien als een reactie, een handeling waardoor je de prlmactïe van je vriend of vijand beantwoordt. Hoe objektiever je je opstelt tegenover je medemens, des te makkelijker je de verantwoordelijkheid van de bejegening bij de ander legt. Meester. zij is begonnen. De ander is de oorzaak. Wat jij doet is daar maar een gevolg van. Maar als je vanuit bejegeningsoogpunt jezelf als mede-oorzaak betrokken weet in datgene wat je vriend of vijand naar jou toe doet, zal je niet meer spre-ken van primaktie en reaktie, maar van interactie, waarbij jullie beiden gewild of ongewild op elkaar inspelen en waarbij jullie beiden datgene veroorzaken waar jullie beiden op reageren. Binnen de kommunikatieleer benoemt men deze wederkerigheid van de interactie een circulair proces, een kringloop waarbij de schuld en verantwoordelijkheid van het gebeuren nooit aan één kant kan gelegd worden.
Wat je nu ook doet of niet doet, of je het kontakt aanhoudt of afbreekt, je beïnvloedt je tegenpartij. Tenminste als deze je handelingen kan registreren of waarnemen. Willens nillens doet je vriend of je vijand nu indrukken op. Je stuurt een boodschap uit. Je zendt signalen. Op deze vierde stap van de bejegenings-kringloop is de kwaliteit gele-gen in de pragmatische uitvoering van jè optie. Krijgt zij een heldere en ondubbelzin-nig waarn·eembare gestalte? Heeft je handeling daadkracht? Komt wat je nastreeft nadrukkelijk tot uiting?
Hierbij zijn het ook niet de goede of slechte bedoelingen die tellen. Het gaat er om wat je teweegbrengt. Je bedoelt een verkeerde informatie recht te zetten, maar je partner voelt zich daardoor persoonlijk aangevallen, Het is dus maar de vraag hoe je aktie overkomr. Effekt-beser is absoluut nodig om een bejegening te laten slagen. Zie je dat je een ander effekt oproept dan je bedoelde, dan kan je nog steeds je handeling bijsturen om alsnog tot het gewenste kontakt te komen.
Door te zien hoe je vriend of vijand op jouw tussenkomsten reageert, ga je hem beter leren kennen. De effekt-waarneming leidt aldus in feite tot een vernieuwde en verbe-terde beeld.vorming•.Je deed een experiment. Je hebt een boodschap afgestuurd op je tegenpartij. Hij heeft je gezien. Je hebt hem geraakt. Schrikt hij? Is hij blij? Opent hij zich? Sluit hij zich af? Je maakt mee hoe hij op jou reageert. Zo leer je hem pas volop kennen.
De kringloop gaat verder. Er ontstaat
- een hernieuwde betrokkenheid jegens (J) en een hernieuwde waarneming met de bijhorende erkenning (E);
- eeri vernieuwde gewaarwording (G) met de gevoelens die de reeds aanwezige bewogenheid bevestigen of nuanceren;
- een bijsturen van de optie en een persoonlijker expressie (E”);
- een nadrukkelijker nastreving (N) van de gekozen optie.
Of een afhaken en afzwakken en laten verwateren van deze kringloop.
SCHEPPENDE SAMENWERKING
Juist zoals erkenning zich open stelt om te zien wat we nog niet zien, zo bewerkt beïnvloeding ook effekten die wij niet overzien. Zij laten binnen het menselijk-kosmische gebeuren misschien sporen na waarvan wij het bestaan niet vermoeden. Onze kinderen herinneren zich gebeurtenissen die wij totaal vergeten zijn. En zij lieten indrukken na in hun gemoed, zo sterk dat heel wat van hun levenshouding van daaruit te verkla-ren is.
Als wij onze vijand vijandig bejegenen, dan wordt hij daardoor enkel maar vijandiger. Dan worden wij telkens meer en meer met onze eigen kwaadaardigheid gekonfronteerd. Wij worden, tezamen met onze vijand, meegezogen naar de zwarte gaten van het mensdom.
Waar wij onze vriEnd vriendschappelijk bejegenen, daar scheppen wij vriendschap. Zodoende leveren wij het bewijs dat vriendschap geschapen kan worden, of dat vriend-schap opgemerkt en ontdekt kan worden in het raam langswaar in ons leven het licht binnenvalt van wat ultiem en uiteindelijk persoonlijke liefde en genegenheid is.
Vanuit deze verruiming van de draagwijdte van de tussenmenselijke bejegening kunnen wij de zo vaak genoemde gulden regel begrijpen. Binnen de christelijke traditie wordt als Jezus-logion geciteerd (Matteüs 7.12): Al wat je wil dat de mensen voor je doen, doe dat ook zelf voor hen; dat is wat de wet en de profeten zeggen” Binnen de Joodse traditie wordt het woord van Paulus’ leermeester Hillel in ere gehouden: “at op jou als hatelijk overkomt, doe dit je medemens niet aan; dit is de hele wet, de rest is maar kommentaar”. Confusius zei: Doe een ander niet aan wat je zelf niet aangedaan wil worden. En in de Indische Mahabharta lezen we: Berokken de anderen niet wat je zelf niet wil aangedaan worden; en wens anderen toe wat je jezelf toewenst.
In het kader van een nauwkeurige analyse van wat een mens jegens een medemens – doet, komen we tot eenzelfde wijsheid: “Bejegen de ander zoals je zelf bejegend wil worden”. En dit op grond van de vaststelling dat ieder die zich in een bejegening betrok-ken laat worden evenzeer verantwoordelijk is voor wat hij zelf doet als voor datgene wat hij bij de ander uitlokt.
Deze vaststelling zal evenwel niet onderschreven worden door diegenen die tegenover de medemens blijven staan, zonder zichzelf in diens handelingen betrokken te weten. Voor hen zal blijven gelden dat iedere mens enkel voor zijn eigen daden verantwoordelijk is. Ten overstaan van de vijand geldt dan dat alle schuld bij hem ligt, aan de overkant.
Een en ander hangt af van hoe men de relatie benoemt: als een vrijblijvend, objectief partnerschap waarbij iedere partij verantwoordelijk is voor de behartiging van de eigen belangen, of als een lotsverbondenheid waarbij de betrokken partijen er van uitgaan dat ieders belang gekoppeld is aan dat van de andere partij. Bij deze laatste relatie-benoeming schept men een samenwerking waarbij betrokkenheid ontstaat die juist ook deie samenwerking onderhoudt en optimalizeert. Een samenwerking waarbij men tegenover elkaar blijft staan is gegrondvest op bilateraal geregelde afspraken die gel-den zolang het beide partijen goed uitkomt. Een samenwerking daarentegen die berust op een verbintenis Jegens elkaar om elkaar hoe dan ook bij te staan in de verwerkelijking van het gezamenlijke doel, houdt in dat diegene die zwakker wordt, beschermd en bijgestaan wordt door de sterkere.
Op de keper beschouwd zijn vriend en vijand relatieve begrippen. Zij verdwijnen in het niet tegenover het begrippenpaar van bejegening en tegenover-stand’. De tegenover-stand ondermijnt de vriendschap door ieders vrijblijvendheid. De bejegening daarentegen maakt zelfs de ergste vijand tot iemand waarmee men lotsverbonden is in goede en kwade dagen, in oorlog of vrede.

