Welk beeld van jou staat mij voor ogen wanneer ik met jou omga? Wij weten dat wij in onze geest geen fotokopie ingeprent krijgen over jouw werkelijkheid. Onze geest vormt zich een beeld van de werkelijkheid die jij voor mij bent. En deze beeldvorming is afhankelijk van de concepten en vormen en taalstructuren die in onze bewustzijnscomputer opgeslagen werden en waarmee ik van jou een beeld maak.
Dit inzicht blijft meestal theoretisch en heeft weinig impact op onze onderlinge verhoudingen. Wat ik van jou zie, dat is toch de werkelijkheid oordeelt ons naïeve bewustzijn. En wij kunnen ons ook voor een groot deel van onze omgang verlaten op wat wij naïefweg voor de werkelijkheid houden. Het is maar wanneer jij of anderen mijn waarneming tegenspreken en de werkelijkheid anders blijken in te schatten, dat wij voor de meer indringende vraag komen te staan omtrent wie het meest kans heeft om gelijk te hebben.
In zulke gevallen is het verstandig om zich te bezinnen over wat wij met werkelijkheid en waarheid bedoelen.
Enige wijsgerige overdenking is niet overbodig om ons te vergewissen hoe het er bij de zgn. waarneming aan toe gaat. Een verdiept inzicht hieromtrent kan ons steunen en leiden bij onze dagdagelijks voorkomende geschillen en gevechten om de waarheid. Kan men de waarheid bezitten? Wie kan ze bezitten? Hoe benadert men het nauwkeurigst de werkelijkheid?
De lichamelijke zintuigen
Ons voornaamste startgegeven is dat de waarneming gebeurt met behulp van onze zintuigen. Hoe meer deze ontwikkeld, getraind en scherp ingesteld zijn, des te nauwkeuriger zij de werkelijkheid kunnen aftasten. Wij zullen er dus goed aan doen om onze zintuiglijke waarneming te oefenen. Wij leren mensen te bekijken, wij leren hun houdingen en gebaren te aanschouwen, wij nemen oogcontact. Wij geven onze ogen goed de kost, als een portretschilder die het gelaat van zijn model bestudeert. Wij oefenen ons met breedtezicht en dieptezicht.
En dan staan wij versteld over al wat zich aan onze waarneming voordoet. Laten wij ons oor maar eens te luisteren leggen naar alle geruis en lawaai en muziek en gepraat dat ons oor treft, en wij staan versteld over de menigvuldigheid en de variëteit van de auditieve signalen die op ons afkomen. Ieder die enige training opdoet met eutonie of met sensory awareness, verbaast zich over de gevoeligheid van onze huid en tastzin, die evenwel als Doornroosje uit de slaap gewekt moeten worden. Geur en smaak zijn
even eens vaak zo afgestompt dat ze enkel nog de sterke prikkels van kruiden en parfums kunnen waarnemen.
Onze lichamelijkheid is ons gezichtspunt op de werkelijkheid. Het zijn onze zintuigen die zorgen voor het contact tussen ons en de werkelijkheid. Onder werkelijkheid ver staan wij datgene wat uiteindelijk en op zichzelf bestaat en werkzaam is, los van onszelf en onafhankelijk van ons bewustzijn.
Met de wijsgeer MERLEAU-PONTY (4) gaan wij er van uit dat deze werkelijkheid terzelfdertijd zichtbaar en onzichtbaar is. Wij kunnen haar waarnemen voor zover zij voor onze geest te voorschijn komt. De absolute en ultieme werkelijkheid kan nooit totaal te voorschijn komen voor de beperktheid van ons waarnemingsvermogen. Onze waarneming heeft dus te maken met de verschijnselen of de fenomenen, van de werkelijkheid. Onze waarneming kent dus enkel de werkelijkheid voor zover deze zich aan onze lichamelijkheid vertoont. Ook met een zesde of een twintigste zintuig zal de ultieme werkelijkheid maar waarneembaar zijn voor zover zij zich voor deze zintuigen onthult.
Al blijft de werkelijkheid altijd gedeeltelijk verhuld, wij zijn er wel op gericht. Wij proberen de werkelijkheid van zo nabij mogelijk te benaderen. Bij meningsverschillen nodigen wij de partijen uit om zo nauwlettend mogelijk, ieder voor zich, zijn waarnemingen te beschrijven. Wij nodigen de partners uit om deze beschrijvingen te beluisteren zonder te interfereren. Wij moeten ons ook oefenen is het juist waarnemen van verbale beschrijvingen. Wij nodigen onze cursisten uit om zo aandachtig mogelijk zintuigelijk waar te nemen wat er gebeurt en wat er gezegd wordt. Zo ontwikkelt zich een grondhouding van waarnemingsbereidheid. Dit is een zoekende ingesteldheid om de werkelijkheid in haar verschijningsvormen van zo nabij mogelijk en zo gedifferentieerd mogelijk waar te nemen.
Het is: betasten, bekijken, beluisteren, proeven, ondervinden, ontmoeten.
Onze beeldvorming
De werkelijkheid vuurt allerlei stralen en golven van energie af op onze zintuigen. Deze capteren en registreren wat ze aankunnen. Het andere gaat voor onze waarneming verloren. Op basis van de massa gecapteerde zintuigflitsen maakt ons bewustzijn zich een beeld over de werkelijkheid waar hij voor staat. Het opmerkelijke daarbij is dat onze zintuigorganen de vorm vervoegen van de te benaderen werkelijkheid. Zo vormen zich de beelden, die de alsnog beste hypotesen zijn omtrent de werkelijkheden waar zij op gericht zijn. Deze gerichtheid op de werkelijkheid, of deze intentionaliteit is het grote werk dat ieder van ons te doen heeft. Dit wordt door alle fenomenologische wijsgeren herhaaldelijk benadrukt.
Maar niets is minder moeilijk. En het zal ons overigens toch nooit lukken om de werkelijkheid voor 100 % te benaderen en zo zullen wij ook nooit kunnen achterhalen hoe ver wij er nog van verwijderd zijn. Onze beeldvorming is steeds gebrekkig. Een van de grondgedachten van MERLEAU-PONTY is dat de mens waarneemt binnen een horizon. Onze horizon bakent op de wereld de ruimte af waarbinnen mijn waarneming mogelijk is. Mijn horizon beperkt ook mijn gezichtsveld vermits ik nooit buiten mijn horizon kan gaan staan. Wij zijn m.a.w. in onze zgn. waarneming beperkt door onze eigen perspectieven, door onze eigen horizon, door onze waarnemingsgewoonten.
De interpretatie
Elk beeld dat ik mij van jou of van de waarneembare werkelijkheid maak is dus meteen al een interpretatie vanuit mijn perspeklief binnen mijn horizon. Ons oog is door de ons omgevende kultuur getraind om bepaalde facetten van de werkelijkheid te zien, en om aan andere facetten ervan voorbij te gaan. Dit geldt ook voor onze kijk op mensen. Wij krijgen veel verschijnselen onder ogen maar wij houden daarvan maar een bepaald deel voor ogen. Welk deel?
Wij geven enkel aandacht aan datgene waar ons bewustzijn toegankelijk voor is. Te moeilijke of te zeer verontrustende fenomenen zien wij liever niet en zien wij dan ook effectief niet, tenzij anderen ons de ogen willen openen ervoor. Zo heeft onze voorbije levensgeschiedenis, en vooral onze relatiegeschiedenis, ons geconditioneerd om bepaalde werkelijkheidsfenomenen wel te zien, of niet te zien, of om ze door een vergrootglas te bekijken, of om ze te minimaliseren. Zo kan een huwelijkspartner uiterst gevoelige tenen hebben voor dingen die ouders of schoonouders hem voor de voeten gooien, terwijl de andere huwelijkspartner zelfs voor de grofste beledigingen geen oor heeft.
Onze waarneming is dus steeds ook een vroegtijdige interpretatie. De interpretatie is de mentale activiteit waardoor de waarnemer zijn waarneming inpast in zijn handelingsschema. Wanneer wij iets duiden als gunstig of ongunstig, als mooi of lelijk, als sympathiek of antipathiek, dan maken wij een handelingsproject over de bruikbaarheid of onbruikbaarheid ervan. Het waargenomene past in ons kraam of past er niet in. Wij kunnen er iets mee, of wij kunnen er niets mee. Wij vergelijken dus voortdurend
datgene wat wij waarnemen met datgene wat wij doen. Wij vormen ons over de werkelijkheid beelden die in feite handelingsprojecten zijn. Is dat daar tussen de takken een appel? Ja, dan is dit iets plukbaar. Ik heb de appel gezien doordat ook mijn hand jeukte om een appel te plukken. En het speeksel in mijn mond zei me, bij dit warme weer, dat ik er wel zou kunnen in bijten. Daardoor was mijn aandacht potentieel op een appel gericht en trof hij ook mijn oog. Zo niet, dan had ik er aan voorbij gezien. Maar de appel hangt tamelijk hoog. Ik kan er niet meteen bij. Nu zie ik ook dat hij nog groen is en onrijp. Door de interpretatie wordt het waargenomene gekaderd in een handelingsschema. Door mijn interpretatie van hoe jij voor mij verschijnt, probeer ik onze relatie in te passen in onze wederzijdse bejegening.
Het menselijk organisme reguleert zijn handelen o.i. niet vanuit lust en onlust, zoals G.Th. FECHNER in 1873 dacht (2) en zoals ook S. FREUD het zag (3), maar veeleer vanuit een organismische zelfhandhaving waardoor het organisme zich ontwikkelt en voedt aan een intense uitwisseling met de omgevende wereld. Die wereld (Umwelt) is dan de werkelijkheid voor zover die aan het organisme verschijnt en voor zover het organisme zich daarvan kan bedienen.
Telkens een ontdekking
Het adagium van Edmund HUSSERL, de grootmeester van de fenomenologie, was: ‘Laten wij terugkeren tot de werkelijkheid die aan onze interpretaties voorafgaat.’ Een onmogelijke maar boeiende opgave. Als ik het beeld, dat mij van jouw werkelijkheid voor ogen staat, kan ontdoen van alle door mij toegevoegde interpretaties, dan herontdek ik waarschijnlijk dat deel van jouw waarneembare werkelijkheid dat bij mij bedolven lag onder het bezinksel van allerlei gevoeligheden en interpretaties.
Deze terugkeer dus maar proberen. Onze bril poetsen. Onze projecties terugnemen. En afwachten. Geen voorbarig oordeel vellen. HUSSERL nodigt ons uit om ons oordeel op te schorten zodat wij eerst langer de tijd nemen om waar te nemen. Hij hoort tot de door ons voorgestelde grondhouding om onvooringenomen te leren zijn, om afwachtend te schouwen, om open te staan voor een nieuwe ontdekking, om onze interpretaties los te laten, om ons meer intuïtief de dingen te laten invallen, om ons te ontschubben van de voorbije beelden die nog aan ons kleven. HUSSERL vat dit alles samen in zijn geijkte term der epochè: de niet-oordelende, afwachtende, open blik.
Deze schouwende, niet-oordelende blik gaat vooraf aan elke ontmoeting. Hij gaat vooraf aan elke interpretatie, ook aan elke wetenschappelijke objectivering. De werkelijkheid waarin wij met elkaar omgaan en waarin wij geworteld zijn. is niet de objectieve wereld van de wetenschap. Elke wetenschap is reeds interpretatie en herinterpretatie. Daar aan vooraf gaat de persoonlijke, directe, concrete contactname met de werkelijkheid in haar ervaarbaarheid. Wij leren al doende wat een bos, een weide of een rivier is. Ten opzichte van dit concrete landschapsbeleven is elke geografie abstract. Wij willen terug naar deze meest primaire ervaringen en de frisse beelden die daaraan verbonden zijn. Zo ontdekken wij terug de naaktere beeldvorming die aan het discursieve en objectiverende denken voorafgaat. De filosofie-leraar PIRSIG beschrijft eenzelfde tocht: de niet moeiteloze herontdekking van wat in pure vorm te voorschijn komt. Dit veronderstelt dat wij vele vooroordelen loslaten die ons vervreemden van de werkelijkheid.
De toewijding aan de werkelijkheid
In de lijn van MERLEAU-PONTY zien wij de werkelijkheid in allereerste instantie te voorschijn komen binnen het ervaringsbeeld of het ontroeringsbeeld dat de concrete, individuele mens persoonlijk opdoet aan de concrete werkelijkheid van het bos, de weide, de rivier, de medemens. De werkelijkheid onthult zich op de meest existentiële wijs daar waar de mens er zich aan toewijdt, daar waar hij haar bejegent. Dit gebeurt daar waar de mens de werkelijkheid, natuur of mens, toestaat zoveel mogelijk zichzelf te zijn.
Er is pas een echte ontmoeting van mens en werkelijkheid waar de mens gericht blijft op de werkelijkheid als op datgene dat nooit door ons verstand herleid kan worden tot datgene wat wij er van begrijpen. De wereld is eerder dan elke analyse die ik er van geven kan. Zij laat zich door onze beelden niet verschalken. Zij weerstaat aan onze onderstellingen en vermoedens. Zij wacht ons oordeel niet af om de verrassendste verschijnselen voor zich op te eisen of om de waarschijnlijkste inbeeldingen af te wijzen. Het is dus de mens die in dienst zal staan van de werkelijkheid. Waar dit gebeurt kan men spreken van waarheid. Waarheid is een kwaliteitsmerk van de beeldvorming. Waar de mens zich een zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld maakt van de werkelijkheid, uit toewijding eraan, daar ontwikkelt zich waarheid. Maar het is onverstandig om zijn waarheid aan anderen te willen opleggen, want elke waarheid is relatief en voor verbetering vatbaar. Enkel de werkelijkheid is absoluut werkelijk. En zij is wat zij is. Zij blijft hierin altijd gedeeltelijk onzichtbaar en onnoembaar.
De verwondering
Een mooie uitdrukking voor de toewijding aan de werkelijkheid is die van HUSSERL’s assistent Eugen FINK, waar hij spreek van de verwondering ten overstaan van de werkelijkheid. Naar de vindingrijke woordspeling van Jacques CLAES is onderwijzen overigens: het wonderwijzen (1). In zijn ontmoeting met de werkelijkheid wordt de mens uitgedaagd om zich te laten verwonderen door wat ervoor zijn ogen verschijnt. Trekt hij zijn ogen wagenwijd open voor een werkelijkheid die nooit totaal tot een
waarnemingsbeeld herleid kan worden, dan is hij zoekende. Enkel wie op deze wijze zoekende is, benadert op waarheidsgetrouwe wijze de werkelijkheid.
Al wat gezegd werd over waarneming, beeldvorming, interpretatie, verwondering geldt in ons contact met de omgevingswereld. Hetzelfde geldt op nog meer indringende wijze in ons contact met onze sociale omgeving en onze medemens. Waar moeten wij op letten en wat is er te ‘zien’ en te ‘horen’ wanneer een mens iets aan een ander mens communiceert? Dit zal nog een studie op zich zijn.
In het tussenmenselijk contact kan onze beeldvorming ook nog door diegene die ons te woord staat tegengesproken of bevestigd worden. En wijzelf beseffen dat wij ook voor de anderen een werkelijkheid zijn die zich zo goed mogelijk zal moeten tonen om goed begrepen te kunnen worden. Ook hier gaat de zoektocht verder. En onze verwondering neemt toe. Want in de medemens nemen wij een geestelijke werkelijkheid waar die ons in de levensloze wereld vaak nog ontgaat. Maar meer dan ooit dreigt hier het gevaar van een voorbarige interpretatie omdat wij zelf zo persoonlijk in dit contact betrokken raken. Dus hier is meer dan elders een aanschouwend afwachten (epochè) nodig, een grote toewijding aan de waarheid, en een niet aflatende verwondering voor het hemelse en het helse dat in de mens en tussen mensen kan geschieden.
- Jacques CLAES, Het wonder wijzen, Kappellen, DNB.
- G.Th. FECHNER, Einige Ideen zur Schöpfungs- und Entwickelungsgeschichte der Organismen, 1873, geciteerd bij S. FREUD (3), p. 218.
- Sigmund FREUD, Jenseits des Lustprinzips, 1920, in: A. MITSCHERLICH (Ed.) Studienausgabe, Band 111, pp. 217-272.
- MERLEAU-PONTY, Voorwoord tot de Fenomenologie van de Waarneming, vertaling uit het frans door R. BAKKER, Baarn, Wereldvenster, 1977.
