De houding van toewending naar de ander is te wezenlijk en té belangrijk om de gradaties en de stadia ervan onachtzaam door elkaar te haspelen. Zowel in onze praktijk als in ons denken erover willen wij zorgvuldig en accuraat te werk gaan.
Er is vooreerst de luisterbereidheid. Zodra wij signalen opvangen vanwege iemand anders, begint ons eigen organisme zich te weren. Onze eerste impulsieve reaktie is egocentrisch: wat word ik gewaar, wat zal ik doen, hoe past het gebeuren in mijn kraam? Pas als wij ons voldoende veilig en op ons gemak voelen, ontwikkelt zich in ons de bereid-heid om ons werkelijk naar de ander toe te wenden. Wij zijn dan in staat om ons eigen organisme op een parkeerplaats achter te laten en ons met onbezwaard en open gemoed af te stemmen op de ander: wie hij is, wat zij doet, wat hij zegt, wat zij mij over zichzelf wil kenbaar maken. Het vergt een echte openheid van geest, een echte interesse, een werkelijke disponibiliteit. Neem ik tijd om naar de ander te luisteren? Stel ik er mij mentaal op in? Heb ik voldoende geduld? Laat ik de ander uitspreken zonder hem te onderbreken? Ben ik actief luisterend, vragen stellend als ik haar niet versta? Probeer ik wet eens om in mijn eigen woorden samen te vatten wat ik meen te hebben gehoord? Krijg ik vanwege die ander wel eens te horen dat ik goed kan luisteren?
Al brengt deze gewone luisterbereidheid ons al een heel stuk op weg bij onze toewen-ding naar de ander, er is meer, nog veel meer. Psychologen hebben onze aandacht gevestigd op de empatie, het invoelen van wat de ander beleeft. Vanuit ons luiste-ren kunnen wij proberen om ons op eenzelfde gevoelsgolflengte af te stemmen, zodat wij andermans verhaal van binnenuit, met ons hart mee, kunnen vernemen. Dit wil niet zeggen dat wij er mee sympatiseren, dat wij gaan meezingen met het lied dat wij op de radio horen, dat wij er onszelf in herkennen. lnvoeling is de ingesteldheid op de ervaring van de ander, niet op die van onszelf. Wij moeten onszelf er niet mee vereenzelvigen. Wij moeten niet gelijkgestemd zijn. lnvoeling vergt integendeel een zekere eigen innerlijke leegte en neutraliteit om onze antennes af te stemmen op die andere ervaringen, dat andere”verhaal, en om ons te laten verwonderen door de andere tonaliteit ervan. lnvoeling is van binnenuit contact maken met de gemoedsbewegingen zoals die in de ander leven, ook al zijn die onszelf vreemd. Breng ik wel eens onder woorden wat ik van de ander meen te voelen, zodat ik de juistheid ervan kan toetsen? Want zonder deze toets kan ik in de illuzie leven dat wat ik bij het beluisterde verhaal voel (bv. irritatie tegen de agressor) ook datgene zou zijn wat de verteller voelt (terwijl die bv. spijt voelt omdat hij in de agressor een vriend komt te verliezen). Beoefen ik soms, bij belangrijke gesprekken, empathie? Kan ik dat van mezelf verkrijgen? Neem ik er de tijd en moeite voor?
Begrijpen is nog iets meer dan empathie. Wij kunnen soms heel goed invoelen (of menen in te voelen) wat een ander meemaakt, maar niets snappen van diens reactie. Wij begrijpen de ander pas wanneer wij de verbanden inzien die er bij die ander bestaan tussen diens beeldvorming en diens gevoel, tussen diens gevoel en diens optie, tussen diens optie en diens gedrag. Begrip geeft ons inzicht in de psycho-logica van andermans wijze van omgaan met mensen en dingen. Pas als wij met onze geest de hele kring-loop van diens bejegening kunnen volgen, daagt voor ons de klaarheid waar wij het woord begrijpen voor gebruiken. De vraag is dus of wij de moeite nemen om te achterhalen hoe andermans ervaring voortkomt uit diens waarneming en hoe dit tot een bepaalde reactie motiveert. Naast het invoelen vergt dit ook een zeker psychologisch doorzicht, een mee-denken met de meestal niet helder uitgesproken onderliggende overtuigingen, een indenken in de gedachtenwereld, de zienswijzen, de besluitvormingsprincipes van de ander. Dit vergt wat denkwerk, en dus moeite. De ander maakt soms heel andere gedachten kronkels dan wij, en trekt uit dezelfde premissen soms heel andere besluiten. Hoe vaak neem ik de moeite om mij in te denken in andermans psycho-logica?
Erkennen wil zeggen: iemand anders het recht toekennen om zichzelf te zijn, de ander tot zijn recht laten komen en daar de ruimte en de tijd voor scheppen. Het is gemakkelijk gezegd: ‘Ik gun je het recht om jezelf te zijn’. Dit is vaag en algemeen, en zoals alle vage uitspraken vlug gezegd en snel weer vergeten. Het wordt pas ernst wanneer ik eerst voorafgaandelijk invoeling en begrip heb verworven over andermans concrete houding en visie en bedoeling. Vooral als ik daarbij ook betrokken partij ben, en mijn eigen belangen te verdedigen heb, wordt het iets minder makkelijk om de ander volop tot zijn recht te laten komen. De ander erkennen wil evenwel nog niet betekenen dat ik zonder meer met die ander moet instemmen. Erkenning is geen akkoordverklaring. Mijn zelfrespect nodigt me uit om ook mijn eigen rechten niet op zij te schuiven. Erkenning is een aanzet tot het ontwerpen van een eerlijke en rechtvaardige gelijkwaardigheid.
Vanuit een metafysische ingesteldheid, d.w.z. vanuit een menselijk verlangen naar kon-takt met het ultieme van de werkelijkheid, bejegenen wij de ander met eerbetuiging aan het diepste en wezenlijkste dat doorheen hem te voorschijn kan komen. Zoals LEVINAS vaak betoogd heeft, kunnen wij de mens nooit herleiden tot datgene wat wij er van begrijpen of tot datgene wat de mens van zichzelf begrijpt. Ons beeld en invoelen en begrijpen van de ander blijft steeds beperkt en gefragmenteerd. Vanuit dit besef kunnen wij ons open en toegankelijk stellen voor het nog niet bElnoembare en in principe nooit totaal benoembare van datgene wat er als leven in de ander leeft. Wij kun-nen dit menselijke, onvatbare mysterie van elke mens met respekt tegemoet treden, contact er mee zoeken, er een intuïtief aanvoelen voor ontwikkelen, maar wij zullen er nooit beslag op kunnen leggen, het nooit kunnen grijpen, het nooit onder de controle krijgen van onze beperkte menselijke geest. Wij kunnen het wel eer betuigen door in ons begroeten van andermans gelaat het hoofd te buigen voor diens onbenoemde wezenskern. Deze eerbetuiging fundeert, zoals LÉVINAS aangeeft, edelmoedigheid, onbaatzuchtigheid, respect, goedheid, vrijgevigheid, vergevingsgezindheid.
Wij hebben vaak gesproken over de erkenning als over de belangrijkste tussenmenselijke grondhouding. Deze term is voor ons de bundeling van wat wij hier vernoemen als luisterbereidheid, invoeling, begrip, toekenning van het recht op zichzelfzijn, eer-betuiging.
In een recent doctoraat proefschrift over intersubjectiviteit lees ik dat empathie de uiting en realisatie is van het metafysisch verlangen (1). De invoeling die door FREUD wordt beschrever:i als een werkhouding van de analytikus zou dan een concrete vormgeving zijn van LEVINAS’ metafysisch verlangen. Dit verlangen is bij LEVINAS niet iets metafysisch-eterisch dat gematerializeerd of gekonkretizeerd moet worden in iets als empatie; het is een konkreet, menselijk verlangen naar metafysica, een verlangende gerichtheid op kontakt met het ultiem-werkelijke. En dit konkretizeert zich in respekt, goedheid, etiek, altruïsme, zoals hoger gezegd. Zoals FREUD nergens getuigt van een reikhalzen naar de onnoembare transcendentie, zo reduceert LEVINAS ook nooit zijn eerbetuiging aan de metafysische werkelijkheid van de ander tot een vorm van psychologisch invoelen. Het invoelen en het eerbetuigen worden in dit proefschrift onzorgvuldig over een en dezelfde kam geschoren. Het is prijzenswaardig om FREUD en LEVINAS te vergelijken, maar men doet beide auteurs meer recht door op hun onder-linge verschillen te wijzen dan door vermeende gelijkenissen te bepleiten. De verschillende stadia of vormen van de erkenning kunnen dus maar best, zowel in praktijk als in de theorievorming, duidelijk van elkaar onderscheiden worden. De zorgzame, respectvolle toewending naar de ander gebeurt stap voor stap, en elke stap vergt aandacht en onderscheidingsvermogen
(1) Frans ROUPPE VAN DER VOORT. Intersubjectiviteit; wederzijdse begrenzing van de psychoanalyze en de fenomenologie van Lévinas, Delft, Eburon. 1991, pp. 106-113.
