Het existentialisme van na de tweede wereldoorlog heeft ons gevoelig gemaakt voor al wat ons door de omgeving en door de anderen wordt aangedaan, en waarop wij geen vat hebben. Het bestaan werd beschreven als een “in de wereld geworpen zijn” waar-bij men onderhevig is aan allerlei oncontroleerbare invloeden die ontsnappen aan de voordien zo hooggeprezen menselijke vrije wil. De psychoanalyse gaf nog een duwtje in dezelfde richting door te beschrijven hoe het menselijk leven gestuurd wordt door allerlei onbewuste impulsen. Eenzelfde bestaansgevoel stroomt verder door in het struk-turalisme dat illustreert hoezeer de taal die een mens gebruikt diens denken en voelen bepaalt vanuit de belevings- en beschouwingswijzen die in de struktuur van die taal sinds eeuwen ingebakken liggen ; het Franse ‘faire l’amour’ roept iets anders op in de beleving dan het Nederlandse ‘vrijen’. Deze stromingen benadrukken de invloed van de omgeving op de mens, en zij korrigeren aldus het euforisch levensgevoel van de twinti-ger en dertiger jaren die de mens het gevoel gaven dat hij de gehele werkelijkheid onder zijn kontrole had en dat alles beheerbaar en bestuurbaar werd door zijn bewustzijn en zijn wil.
In onze integratieve benadering worden deze twee stromingen ten overstaan van elkaar geartikuleerd als de twee fazen in de bejegening van de werkelijkheid. Tijdens de ene fase wordt de mens iets aangedaan; de werkelijkheid komt op hem af en beïnvloedt hem. Tijdens de andere fase doet de mens zélf iets met de werkelijkheid; hij hanteert en beïnvloedt haar.
In beide fazen kan de mens zich zo bewust mogelijk betrekken op deze wisselwerking. Tijdens de faze van het aangedaan-worden kan hij proberen om zo akkuraat mogelijk waar te nemen en om bewust de in hem opgeroepen gevoelens gewaar te worden. Tijdens de fase van de actieve bejeging kan de mens vooreerst zo vrij en bewust mogelijk zich een eigen optie vormen en deze wens dan zo efficiënt mogelijk uitvoeren.
De innerlijke besluitvormingof optie is in dit hele bejegeningsproces het voornaamste en krachtigste moment. Hier betrekt de mens zich het meest écht vanuit zichzelf op de wereld en op de medemens. Hij spreekt zijn mogelijkheden aan. Hij verzamelt zijn moed. Hij neemt het risiko om zelf op eigen verantwoordelijkheid een eigen richting te kiezen en een eigen bestemming aan de wereld op te leggen.
Na het bewustzijn van de waarneming, en na het bewustzijn van de gevoelsgewaarwording, komt hier het bewustzijn te voorschijn dat denken heet. Elke cognitie is een han-delingsplan: Zal ik het zo aanpakken, of zou ik het beter anders doen? De optie is niet: iets kiezen omdat anderen hel zo deden of omdat het mij zo wercj voorgehouden. De optie is: tot een handeling besluiten omdat men vanuit de waarneming en de gewaar-wording te weten is gekomen wat het beste is. Het is geen emotionele reactie. Een emo-tionele aandoening of neiging kan er aan ten grondslag liggen. Maar het bewuste denken maakt zich los van de emotie, terwijl het toch de kracht ervan kan aanwenden. In de kunst – zo zei VAKHTANGOV, een gerenommeerd regisseur (3) – gebruiken wij nooit het écht geëmotioneerd zijn heet van de naald, maar de emoties die vanuit het affectieve geheugen komen. Willen wij de innerlijke besluitvorming de kwaliteit van kunst geven, dan zullen wij haar nooit laten vervloeien met de momentane emotie, maar haar vanop een nadenkende afstand in contact brengen met de emotie en haar de kracht ervan laten herinneren. Dat is de enige wijze waarop men haar kan kontroleren en haar kan aanwenden bij het ontwikkelen van een optie. En terzelfdertijd is dit denkend bewust-zijn gericht op de toekomst en op wat daar te doen staat. Zij is gericht op de handeling, de uitvoering, de beïnvloeding.
Bij de ontwikkeling van de optie komen er ook psycho-economische overwegingen om het hoekje kijken. Welke moeite zal het mij kosten? Wat gaat het opleveren? Zal ik er in slagen? Kan ik het effect bereiken dat ik beoog? Brengt dit heil? Maakt het anderen of mezelf gelukkiger?” Deze kosten-baten-analyse geeft de doorslag. Bij iedere iets moeilijkere keuze overweegt men bij zichzelf de voor- en nadelen, en de haalbaarheid van het project.
Meteen botst men daarbij op de onderliggende waarden die deze keuze bepalen. Laat ik mij leiden door eigenbelang of door altruïsme? Door eerlijke openheid of door voorzichtigheid? Door snelle efficiëntie of door geduld met een langzame groei? De optie komt tot stand onder vorm van waarde-oordelen. En deze vertonen zich aan het bewust-zijn als overtuigingen, overtuigingen die de sterkte en kracht kunnen hebben van een diep persoonlijk geloof. Volgens KAUFMAN zijn deze overtuigingen (beliefs’) antwoor-den die men zichzelf geeft op de vraag: Brengt het geluk? Maak het gelukkig? (1). Ja, als ik aldus handel zal ik mij gelukkig weten. Neen, dat doen brengt ongeluk. Deze innerlijke overtuigingen zijn een voorspelling van de afloop die de bejegening zal aannemen. Het te verwachten effect wordt ingeschat: het zal goed aflopen of slecht aflopen. Meer dan door verheven waarden of normen, wordt de optie gestuurd vanuit zeer pragmatische voorspellingen over een goed of slecht effect.
Al hebben deze voorspellingen soms de kracht van onveranderbare axioma’s, zij zijn wel voor herziening en schakkering vatbaar. Omdat KAUFMAN de optie het meest cru-ciale en het meest belangrijke moment vindt van het menselijk handelen, en omdat de innerlijke overtuigingen daarbij de doorslag geven, koncentreert hij zijn begeleiding op deze overtuiging en op de veranderbaarheid daarvan. Wij zijn zelf verantwoordelijk voor de overtuigingen die wij er op na houden. Het is aan ons om deze te kiezen (1). Onze meest fundamentele optie is de keuze van de overtuigingen waarop wij onze opties grondvesten.
Een universeel symptoom
Reeds in 1934 opperde de statistikus-psychoanalist Helmuth KAISER de idee dat er onder alle psychische problematieken één gemeenschappelijk symptoom ten grondslag kon liggen (2). En hij meende dit te kunnen aanwijzen als de dubbelhartigheid (duplicity) die hij bij patiënten aantrof. Patiënten spraken nooit openhartig. Zij stonden nooit volledig en van harte achter hun woorden. Naar hen luisteren bracht een zeer speciale inspanning met zich mee. Nee, dat was niet de juiste uitdrukking. Naar hen luisteren veroorzaakte een soort innerlijk gevecht, bijna alsof je moest luisteren naar twee sprekers die gelijktijdig aan het woord waren. Er school een vreemdsoortige dubbelhartig-heid in hun communicatie (5). Deze dubbelhartigheid is naderhand door verschillende psychoterapeuten gesignaleerd en in de communicatieteorieën benoemd als boodschappen met dubbele bodems of als incongruente communicatie. Een bijkomend probleem is dat de meeste patiënten zich deze dubbelhartigheid niet bewust zijn.
Als er één universeel symptoom is, nl. dat de mens niet staat achter was hij doet, dat hij iets anders zegt dan wat hij verlangt, dat hij niet samenvalt met zichzelf, dat hij dingen doet die hij niet wil, … dan zou er ook wel eens één universele therapie kunnen zijn, nl. dat de mens er toe komt om eerlijk te staan achter wat hij doet, en dat zijn ja Ja en zijn neen NEEN zou zijn. Aldus KAISER (3). De terapie bestaat er in om de mens te bege-leiden naar echtheid, naar trouw aan zichzelf, naar een optie van eenduidigheid en openhartigheid, eigenschappen die later door Carl ROGERS uitvoerig werden beschre-ven onder de noemer van congruentie.
Maar het appél dat KAISER deed in de richting van eenduidigheid en echtheid bracht bij weinig patiënten beweging in het universele symptoom. Hij zocht verder en ontdekte een universeel conflict dat aan het symptoom ten grondslag ligt. Een van de vele mogelijkheden om dit konflikt te verwoorden is: de mens ervaart zich als anders dan anderen en wil uit trouw aan zichzelf ook anders zijn, maar hij wil niet te zeer anders zijn als hij daardoor van de anderen geïsoleerd raakt. Om het conflict te ontlopen stemmen wij ons te zeer af op de anderen en worden daardoor ontrouw aan onszelf.
Of wij isoleren ons te zeer in onze eigenheid waardoor wij de voeling met anderen ver-liezen en daardoor konflikt oogsten. Serieus en persoonlijk met iemand anders praten is voor alles je eigen afgescheidenheid erkennen (3, p. 151).
Geïnspireerd door KAUFMAN kunnen wij thans de aan dit conflict ten grondslag liggende logica bevragen. Deze psycho-logica luidt als het volgende syllogisme:
- Axioma: “Als ik zeg wat ik denk, dan word ik afgewezen”.
- Uitgangspunt: “Ik wil niet afgewezen worden”.
- Besluit en optie: “Ik zeg niet wat ik denk”. In deze dubbelheid tussen “denken” en “zeggen” ligt het universele konflikt. Men raakt er niet doorheen als niet de afzonderlijke termen van de psycho-logika worden verhel-derd. Juist hieromtrent dient men fundamentele opties te nemen. Klopt het axioma “Als ik zeg wat ik denk, dan word ik afgewezen”? Je hebt zulks misschien ooit meegemaakt, maar geldt het ook in deze situatie? En waarom wil je nooit of nergens afgewezen worden? Is dat zo’n katastrofe? Kan je bij een afwijzing niet overeind blijven? Ben je eventueel toe aan andere opties zoals:
- Axioma: “Als ik zeg wat ik denk word ik niet noodzakelijk afgewezen”.
- Uitgangspunt: “Zelfs al word ik afgewezen, dan maakt me dat niet ongelukkig”.
- Besluit en optie: “Ik zeg wat ik denk”.
Iedereen zal beseffen dat een dergelijke herschikking van de fundamentele opties pas mogelijk zal worden na een eerlijke zelf-analyse en na het uitvechten van de innerlijke strijd waardoor men in het reine komt met zichzelf. Het is niet zo eenvoudig om te weten waar men uiteindelijk achter staat. Het is niet zo eenvoudig om te pakken te krijgen waar men inde diepte van uitgaat. Hoe eenvoudiger en eenduidiger de optie-houding is, hoe meer tijd en moeite het gekost zal hebben om deze te bereiken.
Een universele kwaliteit
Iedereen wordt gecharmeerd door opehhartigheid, eerlijkheid, echtheid, eenvoud. Het is niet altijd makkelijk om gekonfronteerd te worden met een eerlijk en openhartig iemand; maar toch heeft men daar veel meer aan dan aan een dubbelhartig, ontwijkend, ondui-delijk, mistachtig iemand waarvan men nooit weet wat hij denkt of voelt of bedoelt. Als oplossing van het universele symptoom is er de optie-houding waardoor iemand staat achter wat hij doet en is en zegt.
Eens dat men, na het gestreden hebben van de innerlijke strijd, deze innerlijke eendui-digheid heeft verworven, wordt alles zoveel natuurlijker en spontaner. Het leven en voelen en denken en handelen stroomt zijn vanzelfsprekende stroom. Men herwint de spontaneïteit van het kind. Deze spontaneïteit te kunnen herwinnen was de grote betrachting van J.L. MORENO, de uitvinder van het psychodrama. Reeds in 1935 had een zekere PEIRCE de spontaneïteit beschreven als de bewegingen en gedragingen en handelingen die als vanzelf ontstaan zonder dat zij bepaald worden door voorafgaande wetten of normen of belevenissen (4). Zij worden niet bepaald door angstbeladen axi-oma’s. Hun uitgangspunt is: “Eerlijkheid duurt het langst”, of zoals SCHILLER het zei: “Ik kan maar trouw zijn aan jou als ik trouw ben aan mezelf”. Wat energie vrij maakt voor het nemen van een eerlijke, bewust gekozen beslissing, waarbij men de kostprijs betaalt en de mogelijke ongemakken inkalkuleert. KAISER benadrukt dat men deze eer-lijkheid altijd zal betalen met een stuk eenzaamheid. Wij willen benadrukken dat men alleen door deze eerlijkheid tot werkelijk contact komt.
Een zanger oefent dagelijks zijn stem, een pianist doet dagelijks vingeroefeningen, winter en zomer. Een dag zonder oefening is een verloren dag of een dag achteruit. De optie-houding is een wijze van leven. Men moet er vertrouwd mee raken, er in opgroeien, zich-zelf gedurende jaren er toe opvoeden. De bejegening is een metode die in elk van haar delen bestudeerd en ingeoefend moet worden en dan ook in haar totaliteit moet bezeten worden om haar tot in haar fundamenten te begrijpen. Binnen het proces van de bejeging is de optie de belangrijkste schakel. Het is de drijfkracht ervan, de hefboom die het proces in beweging houdt.
Zelfexpressie
De eigen optie ontwikkelen is veelal een innerlijk proces. De uiterlijk waarneembare en zichtbare kommunikatie ervan heet zelfexpressie. Door iets van zichzelf tot uitdrukking te brengen bevordert men de kommunikatie en het kontakt. Men maakt zich begrijpbaar. Hoe kan de ander met mij op eenzelfde golflengte komen als ik mij niet laat ken-nen? Ik ben mezelf vaak een mysterie; hoe zou ik dan voor de ander een open boek zijn? Soms gaan wij uit van het valse axioma: “Als de ander mij liefheeft, dan begrijpt hij mij zonder dat ik dat mezelf hoef uit te leggen”, en wij laten er de ongelukkige kon-kluzie op volgen: “Hij begrijpt mij niet, dus heeft hij mij niet lief”. Wij beseffen niet dat dit een gemakkelijkheidsoplossing is; wij ontslaan onszelf van de moeite van de zelf-expressie.
Zelfexpressie is moeilijk. Het vergt een levenslang leerproces. Vooreerst is het helemaal niet eenvoudig om in zijn binnenste te weten te komen waar men nu feitelijk achter staat. Vooraleer men met zichzelf in het reine geraakt maakt men een hele worsteling mee. En sommigen kunnen niets zelfexpressiefs over de lippen krijgen vooraleer deze worste-ling ten einde is. Toch verdient het aanbeveling om zich ook reeds tijdens deze faze te leren uiten. Laat je partner iets weten van deze worsteling en hij zal tenminste weten waar je mee bezig bent, en het proces kunnen volgen; hij zal makkelijker je optie begrij-pen als hij de weg ernaartoe kan meemaken.
Tweedens is het helemaal niet zo simpel om de eigen optie helder tot uitdrukking te bren-gen, zodat ze voor een ander meteen doorzichtig en begrijpbaar is. Helder en beeldend praten, konkreet aangeven waar men voor opteert en wat men denkt en voelt en Wil, en dit bij ontstane misverstanden nog eens geduldig herhalen, het is me een kunst! Wij laten ons vaak verleiden door de idee: “Die ander is te stom of te onwillig om mij te begrijpen”, i.p.v. onszelf de discipline op te leggen om onze zelfexpressie te verbeteren. Tenslotte maken wij het onszelf meestal makkelijk door de illuzie aan te houden dat de ander mij wel zal begrepen hebben, zonder dit te toetsen. Bij de zelfexpressie hoort ook de vraag: ”Heb je iets begrepen van wat ik zei? Kan je me zeggen watje vooral hoorde?” Zo kan ik er me van vergewissen of de gesprekspartner mij snapte en in welke mate hij méé is met mijn verhaal. Merk ik dat hij iets wezenlijks nog niet begreep, dan is het aan mij om dit nogmaals uit te leggen.
Bij de zelfexpressie ligt de nadruk op het zelf, of datgene wat vanuit mezelf opborrelt, wat zich als verlangen kenbaar wil maken, wat zich spontaan aandient. Pas bij het volgende bejegeningsmoment, dat der beïnvloeding, wordt de vraag gesteld wat ik nu tenslotte bij de ander wil teweegbrengen, hoe ik deze wil beïnvloeden en hoe ik dat aan boord moet leggen. De gesprekspartner evenwel voelt zich meestal onmiddellijk aangesproken en beïnvloed. Wij kunnen de gesprekspartner hierbij helpen door te zeg-gen dat ik het vooralsnog enkel over mezelf heb, dat ik met deze zelfexpressie er nog niet uit ben om wat dan ook van hem gedaan te krijgen. De zelfexpressie is in eerste instantie een oefenmoment om met mezelf tot een duidelijke optie te komen. Het is wel makkelijk als iemand me daarin kan erkennen. Ik maak het de tegenpartij makkelijk om mij te erkenne,n als ik deze laat weten dat ik het vooralsnog enkel over mezelf wil heb-ben, zonder dat dit van de tegenpartij reeds om een antwoord of een reaktie vraagt.
De dagdagelijkse oefening om met zichzelf te overleggen achter welke optie men staat leidt tot een heldere, pregnante, diep doorleefde; eenvoudige expressie van waar men doorheen is gegaan. Door zich dit als levenshouding eigen te maken wordt het moei-lijke ervan tot iets gewoon, het gewone tot iets vanzelfsprekend, het vanzelfsprekende tot iets spontaan, het spontane tot iets verrukkelijk, het verrukkelijke tot een levenskunst.
- Barry Neil KAUFMAN , To love is to be happy with, New York, Fawcet Crest, z.j., p. 98 en p. 286.
- Hetmuth KAISER, Probleme der Technic, lnternat. Ztschr. für Psychoanalyse, 20 (1934), 490-522.
- Helmulh KAISER, The universa! symptom of the psychoneuroses, a search tor the conditions of effec-tive psychotherapy, in: L.8. FIERMAN (Ed), Effective psychotherapy, New York, Free Press, 1965, pp. 14-171.
- PEIRCE (1935) geciteerd oor J.L. MORENO. Psychodrama, Vol. 1, p. 9.
- VAKHTANGOV. geciteerd door Lee STRASBERG, Le travail à l’Actors Studio, Gallimard, 1969, p. 114.
- M.A. VAN KALMTHOUT, Weerzien met Hellmuth Kaiser, Tds. Psychotherapie, 15 (1989) 234-236, p. 236.
