Ik begin dit artikel te schrijven. Wat betekent dit voor mijn zoontje die op ditzelfde moment droomt van een partijtje Stratego met mij? Daar heb ik het raden naar. Voor mezelf betekent het dat de tijd dringt om de kopij voor het tijdschrift naar de drukker te brengen. Voor de lezer betekent het dat hij zijn eigen denken over wat realiteit heet te zijn, kan toetsen aan wat ik er hierover schrijf.
De betekenis van een uitspraak (4) als ik ga schrijven klinkt dus heel anders bij mijn zoontje, bij mezelf, bij de lezer. Het roept bij die verschillende partijen heel andere gevoelens op, en leidt tot heel andere gedragingen. Het vergt voor elke betrokkene een heraanpassing van de eigen wereld. leder leeft trouwens in zijn eigen wereld, waarbinnen al wat ons omgeeft een eigen plekje heen waaraan het zijn betekenis ontleent. Binnen de subjektieve wereld van mijn zoontje betekent een Stratego-spel: avontuur, een veldslag kunnen winnen, beter dan vader de waarde kennen van elk van de pionnen, toch ook wat schrik om te verliezen, kortom een boeiende belevenis. Binnen zijn subjektieve wereldje scoort het Stratego-spel uiteraard veel hoger in waarde dan het spel Vader-laten-schrij-ven. Dit laatste is voor mijn zoontje waarschijnlijk erg saai. Het wordt maar heel eventjes boeiend nu ik hem zeg dat ik over hem aan het schrijven ben.
De grondslagen van de leer der betekenissen werden gelegd door Alfred KORZYBSKI (1879-1950), een Pools edelman die na vele omzwervingen in 1921 in de USA een eerste boek publiceerde over wat tans de algemene semantiek heet (Genera! Semantics)(12). In 1938 kon hij te Chicago een Instituut stichten en sindsdien heeft zijn ideeêngoed ruime verspreiding genoten via kongressen en publikaties. De kern van zijn opvatting is dat de mens niet reageert op een reële wereld maar op tekens over die wereld, op betekenissen die aan de werkelijk-heid terecht of ten onrechte toegedicht worden.
Het rond de jaren 1934 door G.H. MEAO uitgewerkte symbolisch interactionisme vestigt onze aandacht op het feit dat wij in wisselwerking treden (interaktie) met de anderen voor zover die anderen voor onsiets symboliseren of betekenen. Ik reageer b.v. op Stratego vanuit de betekenis die dit spel voor mijn zoontje kan hebben.
Karl POPPER. één van de invloedrijkste levende wetenschapsfilozofen (geboren in 1902) stelt dat elke kennis een voorlopig karakter heeft en dus falsifieerbaar of voor herziening vatbaar is. Men moet dus niet zoeken hoe een teorie te bewijzen is (het is makkelijk een casus te vinden die een teorie moet “bewijzen”) maar hoe ze omver te stoten is (een teorie die daar aan weerstaat is pas echt een goede teorie). Gemakkelijkheidshalve spreekt POPPER over wereld 1 om te wijzen naar de ware werkelijkheid der dingen, en over wereld 2 om te wijzen naar de denkprocessen en symbolische beelden met behulp waarvan mensen greep krijgen op wereld 1 (20).
!n POPPER’s woorden gesteld leven we in wereld 2. Wat in een cultuur van generatie op generatie wordt overgedragen zijn de interpretaties over wereld 1, de gekleurde brillen waardoor men wereld 1 bekijkt.
Aan de hand van het letterwoord SEMANT bekijken we 6 facetten van de beteke-nisverlening.
S De SYMBOLEN en tekens (wereld 2) die verwijzen naar de realiteit.
E De EXTERNE realiteit, wereld EEN.
M De MANIPULATIE van de realiteit via tekens en symbolen.
A De ALGEMEEN AANVAARDE symbolen, de vaste teoriên.
N Het NETWERK van tekens, hun onderlinge samenhang.
T De TEKEN-TOTALITEIT als nieuwe cultuur-realiteit (wereld 3).
Semant: symbolen en tekens
Wil ik in een door mij onbekende stad de weg vinden, dan behelp ik me met een kaart Het stadsplan is niet de stad, het verwijst naar de stad. Het is een drasti-sche reduktie van de stad tot enkele zeer eenvoudige lijnen. De complexe en chaotische indrukken die vanaf de stad op me afkomen worden gefilterd door een klein roostertje van hoofdstraten en zijstraten waaraan namen worden toegekend.
Het onderscheid tussen de stad en de kaart van de stad staat in de Semantiek centraal. Het woord is niet het ding. De wereld is niet wat je zegt dat ze is. Wat je ziet is wat je ziet, het is niet wat je ziet. Deze en vele andere slagzinnen van KORZYBSKI wijzen ons op het inzicht dat elke waarneming van de werkelijk-heid gekleurd is door de bril waardoor we kijken. Elk gezegde over de werkelijkheid is een veronderstelling of hypotese en is dus mogelijkerwijze falsifieerbaar. Elk woord, elk beeld, elke teorie is een semantisch rooster dat we op de werke-lijkheid leggen om ons beter op de werkelijkheid te kunnen afstemmen. De psy-choanalist Alfred ADLER sprak van de meridianen en breedtegraden die we over de wereld tekenen om ons op die wereld te oriënteren (1). Daarmee parafrazeer-de hij VAIHINGER (22) die over taal en tekens sprak als over de steigers rondom de op te richten gebouwen. •
Elk woord of gebaar of teken met betrekking tot de werkelijkheid is een reduktie tot een rooster, een reduktie die gedikteerd wordt door de konventies van de eigen cultuur (10). Daarin speelt de taal een zeer belangrijke rol. De Eskimo’s hebben zeven verschillende woorden voor sneeuw en hebben dus over sneeuw meer gedifferentieerde waarnemingen dan wij. Volgens WHORF (24) die zich specializeerde in de talen van Azteken, Maya’s en Amerikaanse Indianen, ontleden wij de natuur op grond van de regels die door onze taal gedikteerd wor-den. In het Nootka b.v. zijn alle woorden werkwoorden. Wie huis wil zeggen, zegt: Het huist tijdelijk of Het huist definitief en vervoegt dit woord zoals een werkwoord. Een dergelijke procesgerichte taal schept onbewust een heel an-der levensgevoel dan een taal waarin de wereld bekeken wordt als een verzame-ling vaststaande, statische blokkendozen, gesymboliseerd door zelfstandige naamwoorden.
De door ons gebruikte tekens en symbolen, woorden en gebaren zijn instrumenten om de realiteit te benaderen. Ze kunnen ons helpen maar ze kunnen ons ook hinderen. Met woorden verenigen wij wat onverenigbaar is, en scheiden wij wat zich niet laat scheiden (7). De voornaamste opdracht van de taal is daarom een blijvende zoektocht te zijn naar de beste symbolizering. Het gaat er niet om dat wij zo maar een rooster leggen op de realiteit. De mens zoekt het rooster te vinden dat het best de hoofdkarakteristieken weergeeft van het ding of het proces. Tekens, taal en symbolen zijn heuristisch gereedschap, het zijn de sekstanten en meetkettingen waarmee de landmeter het grondgebied in kaart brengt. Het zijn zoek-instrumenten, radarposten waarmee men de hemel aftast. Omdat het ding nooit samenvalt met het woord waardoor het gesymboliseerd wordt, kan ook méér dan één woord gebruikt worden. We kunnen het licht bekijken doorheen de bril van de golftheorie, en ook door de bril van de quantumtheorie.
Symbolen zijn dus relatief, tijdelijk, falsifieerbaar. A.N.WHITEHEAD waarschuwt: “Een beschaving die niet uit zijn gangbare interpretaties kan barsten, is na een korte periode van vooruitgang veroordeeld tot steriliteit” (23). Hoe meer men het hypotetische karakter van interpretatieroosters onder ogen ziet, des te makkelij-ker men ze kan loslaten om zich nieuwe, betere brillen aan te schaffen. In zijn essay over kunst schrijft D.H. LAWRENCE: “De kunst openbaart iets van de ver-houding van de mens tot de hem omringende wereld. Omdat de mens altijd in oude interpretaties verstrikt zit, is de kunst zijn tijd steeds vooruit” (13).
Semant: de externe realiteit
Datgene waarnaar tekens en symbolen verwijzen is een zwijgende wereld, zoals KORZYBSKI het noemt De echte, uiteindelijke realiteit is nooit geheel uit-gesproken, uit-verteld, uit-geteld, om-vat, be-grepen. De externe realiteit blijkt altijd nog méér te zijn dan datgene wat wij er ons van voor-stellen. Daarom blijft het raadsel van wereld 1 ons boeien. Das Ding an sich, zoals E. KANT het noemde, ontsnapt steeds alle reducties. De stad blijft méér dan alle stadsplan-nen. Het grondgebied en zijn natuur worden nooit gevat in kaarten of binnen dikke encyclopediên. En zeker de medemens kon, naar het woord van E. LÉVINAS, nooit gereduceerd worden tot datgene wat wij menen er van te begrijpen (14).
Lange tijd heeft KANT’s kentheoretische visie onze wetenschap beheerst. De meridianen en breedtegraden die de menselijke geest over de wereld legt, bestaan niet in werkelijkheid. Ze hebben geen enkele gelijkenis met strepen die ergens op het aardoppervlak zouden bestaan. Het zijn a-priori-denkstructuren die ko-men uit onze idee. Dit idealisme is handig, maar het slaat een grote, niet te over-bruggen kloof tussen wereld 2 en wereld 1. Donald CAMPBELL bekijkt het anders (2). Hij meent te bemerken dat in de fylo-genetische ontwikkeling van de natuur een fundamenteel proces van inzichtver-werving of betekenisvinding gebeurt waarvoor geen geestelijke apriori’s nodig zijn. Het zeer primitieve, oeroude pantoffeldiertje dat tegen een hindernis stuit, wijkt eerst een stukje achteruit, keert zich in een toevallige andere richting en zwemt vervolgens weer vooruit. Het mikroskopisch kleine, domme diertje stemt zich af op de externe realiteit en weet iets dat volkomen juist is: als het rechtdoor gaat komt het inderdaat niet verder (17). Het heeft een orgaan om zich af te stemmen op wereld 1. Juist door het meer en meer zorgvuldig betasten van de realiteit ontstaan binnen de fylogeneze organen die nog beter afgestemd zijn om een bepaalde realiteit te betasten. Het opmerkelijke hierbij is dat deze organen de vorm vervoegen van de te benaderen realiteit. De vin- en bewegingsvorm bij vissen is een weergave van de hydrodynamische eigenschappen van het water, dat deze eigenschappen bezit onafhankelijk van het feit of er zich vinnen in bewegen of niet (15).
Voor zover woorden en teoriên handelings-projekten zijn – plannetjes van actie – zullen deze woorden en teoriën zich afstemmen op het omgaan met de realiteit. De tangetjes en boren van de tandarts hebben de vorm aangenomen van de te verzorgen gaatjes van de tand. We kunnen stellen dat bij de ontwikkeling van de handelingen de mens weet krijgt van de realiteit in de mate zijn organen en instrumenten er op afgestemd zijn. Zo is er wel onderscheid maar geen kloof meer tussen wereld 2 en 1. Daarom hebben grote wetens,chappers als Max PLANCK en Konrad LORENZ zich geschaard achter de vizie van het hypotetisch realisme van CAMPBELL.
Gaan wij hiervan uit, dan wordt de realiteit kenbaar in de mate wij er ons invoe-gen. Uiteindelijk komen we uit bij wat in de gnostiek het ware weten heet: niet het kennen over de realiteiten die buiten ons zouden bestaan, maar de bewustwording van datgene waar we zelf deel van zijn, en in de mate waarin we de moed hebben om er werkelijk deel van te zijn.
Meteen stoten we ook op onze begrensdheid. We kunnen nooit samenvallen met de ultieme realiteit. Het deel wordt nooit het geheel. Vandaar blijft de realiteit van de mysterieuze wereld 1 een onuitputbare oer-energie die wel benaderd maar nooit omvat kan worden.
Semant: manipulatie via symbolen
De mens wil de externe realiteit kennen om deze te gebruiken, te benutten, om te vormen, te manipuleren. Hij wil de aarde ontginnen, de grondstoffen opdelven, de akkers bebouwen. Hij wil het milieu zuiveren, energie opwekken, dieren kwe-ken. Hij wil ook de medemens en de samenleving beïnvloeden, veranderen, op-voeden.
De tekens en begrippen die hij gebruikt zijn meestal handelingsprojecten, gebruiksaanwijzingen, schema’s voor aktie. Het zijn als de verkeerstekens langs onze wegen: hier vertragen, hier stoppen, deze straat niet binnenrijden, rondom het pleintje draaien, voorrang verlenen, hier niet parkeren. PANKOW be-noemt het begrip als een tot ding verdichte actie (reified action) (19). Wij zelf spreken liever van een tot instrument geworden actie-bewustzijn (3). Een naam, een theorie, een label schrijft ons voor hoe we met dingen en mensen moe-ten omgaan. Noem je iemand een terrorist, dan moet je daarop andere rechts-regels toepassen dan op iemand die je politiek tegenstander noemt. Noem je binnen de psychiatrie een patiënt psychopaat dan wil dat zeggen dat je daar geen psychotherapeutische energie moet aan besteden, want tegen psychopathie is toch geen kruid gewassen. Hierin ligt de enorme manipulatiekracht van het etiketteren: het etiket decreteert hoe te handelen. Hetzelfde geldt voor theoriën en paradigmata.
Het is nog niet zo lang geleden dat linguïsten zijn gaan zien dat er taal-daden zijn (4). Door een simpel woord als ‘Ik neem je tot vrouw ‘beslecht men het verdere verloop van op z’n minst twee levens. Door de uitspraak ‘Je bent gebuisd’ verandert men misschien iemands toekomst.
Alleen al het benoemen van de realiteit verandert de omgang ermee. Ik herinner me dat ik eens op wandel was met mijn kinderen op een speelweide. Buiten-staanders hebben mij waarschijnlijk gezien als een rustige vaäer die kalmpjes langs de speeltuigen kuierde. Maar opeens zei mijn dochtertje: Reusje spe-len!?. En op slag zag men die rustige vader veranderen in een woest hollende, met de armen zwaaiende, over speeltuigen springende man die een stel kinde-ren achterna holt. Twee woorden hadden de betekenis van de omgevende reali-teit plotseling veranderd in een land van dwergen en reuzen, een wereld waarin gehold en gepakt moest worden. Door een verandering in wereld 2 ontstaat er ook een verandering in wereld 1.
De gebruikte etiketten, theoriën of modellen maken ook dat we slechts bepaalde facetten van de realiteit in ogenschouw nemen. Datgene wat ons kennisapparaat doet, lijkt me in menig opzicht op hetgeen een ruwe robben- of walvisjager over het wezen van zijn buit weet, nl. al datgene wat voor hem van praktisch belang is en meer nier (16). Als project van handelen verschraalt een etiket of teo-rie de realiteit tot zijn utilitaristische facetten, tot de manipuleerbare facetten er-van.
Het is natuurlijk uitstekend dat er modellen ontworpen worden. Want anders kan men niets aanvangen met de realiteit, en dus ook niet met zichzelf (als deel daar-van). “Niets is zo praktisch als een goede teorie” zei Kurt LEWIN. Waarmee met-een gezegd werd dat de uiteindelijke zin van een teorie de pragmatische bruikbaarheid ervan is, en dat er goede en slechte theoriën zijn, d.w.z. dat sommige theoriën heel bruikbaar zijn en dus goed, en dat andere teoriên weinig pragmatische waarden hebben en dus niet zo goed zijn. Als we het aforistisch uitdrukken: de semantiek van de semantiek ligt in de pragmatiek. Was het GOFFMAN die stelde dat het zinloos is om te strijden over theoriën of opvattingen die toch tot eenzelfde praktijk leiden?
Semant: algemeen aanvaarde symbolen
Elke menselijke activiteit is fundamenteel gericht op bescherming, handhaving en uitbreiding van de eigen wereld, zegge van de symbolische ik-wereld. Vol-gens Carl ROGERS is deze ik-wereld de configuratie van de percepties die acceptabel zijn voor het bewustzijn (8). Als b.v. de ervaring van ‘ik heb een fout begaan’ niet acceptabel is voor mijn bewustzijn, dan wordt die ervaring niet toege-laten in mijn symbolische ik-wereld, dan krijgt ze daarbinnen niet een “beteke-nisvolle” plaats. De fout schrijf ik dan toe aan anderen, aan de omstandigheden, aan de maatschappij.
Door welke brillen wil ik kijken? Voor welke boodschappen ben ik toegankelijk? “Als ik andermans boodschap zie als een uitbreiding van mijn ik-wereld, dan zal ik die boodschap in me opnemen en toejuichen” (9). Maar als die haaks staat op mijn eigen overtuigingen, dan vergt het heel wat innerlijke discipline om mijn eigen perspectieven los te laten en om ze af te stemmen op perspektieven die waarschijnlijk dichter liggen bij de realiteit. Onze symbolische ik-wereld is een semantisch organisme dat zich makkelijk institutionalizeert, zich vast-zet in stellingen en eigen axioma’s. Het Ik nestelt zich daarbinnen als in een veilige omgeving.Het is als de veilige woonkamer waarin we ons omgeven met foto’s, schilderijen, beelden, wandtapijten die ons eigen levensgevoel uitstralen.
Willen we, vanuit onze ik-wereld, in kontakt komen met de medemens, dan kan dat via inleving in diens symbolische wereld. De kontakname en ontmoeting tus-sen mensen geschiedt via de wederzijdse erkenning van de symbolische werel-den, zoals het symbolisch interactionisme van G.H. MEAO ons geleerd heeft (18).
Naarmate meerdere mensen via hun symbolische werelden 2 met elkaar in kon-takt komen, breidt de betekenisverlening zich uit. Een hypoteze wordt gaande-weg tot een teorie, en de teorie wordt gaandeweg meer en meer als objectief be-kenen naarmate meerdere mensen, zo mogelijk allen, dezelfde kijk beamen. Algemeen aanvaarde symbolen hebben meer kans op waarheid, zo zegt men. Dit kriterlum voor waarheid klopt evenwel niet. Ook al geloven alle mensen dat de zon rond de aardbol draaît, deze stelling was falsifieerbaar. Ze kon door een be-tere teorie vervangen worden.
De valse idee dat algemeen aanvaarde beelden meer waarheidsgehalte zouden hebben wijst wél op het grote verlangen van de mens om met andere mensen de-zelfde betekenisverleningen te kunnen delen. Er is een hang naar gemeenschappelijkheid van symbolen. Men leeft graag in éénzelfde wereld 2. Huwe-lijkspartners zoeken voortdurend naar gemeenschappelijke betekenissen. Men kijkt graag met tweeën door éénzelfde bril. Men heeft graag een bril waar iedereen door kijkt. De verhalen van de mensheid, de myten, de kosmogoniên, de godsdienstige parabels willen mensen eenzelfde perspectief geven op de realiteit, op leven en dood, op lijden en verlossing.
Een definitie meet zich graag de status aan van algemeengeldendheid. De definitie zegt hoe we met een ding of een proces moeten omgaan. Door het handhaven van definities oefent men een sterke sociale controle uit. PLATO beschouw-de zijn definities van de werkelijkheid als definitief en vandaar was een poging om ze te veranderen zoveel als een heiligschennis. Wat in het gedrang kwam was: de sociale kontrole (11). Wie b.v. autisme definieert als een neurofysiologisch, biochemisch defect oefent sociale controle uit op iedereen die zich met autisme bezighoudt en zorgt er voor dat men niet werkt volgens een relationele benadering die autisme definieert als een stoornis van het sociaal leerproces. Naamgeving is dus niet enkel beïnvloeding, maar ook sociale controle.
Semant: netwerk van tekens
Daar we de symbolische wereld van het Ik of van de groep beschrijven als een organisme, is de interne, onderlinge organisatie van de tekens en symbolen een kenmerk dat we niet mogen veronachtzamen. Men denke aan de onderlinge wisselwerking en aan de hiërarchische schikkingen tussen de symbolen. Elk teken haalt een deel van zijn betekenis uit de tekens waarmee het geassocieerd of verbonden wordt.
Nemen we een voorbeeld. Het woord begrip verwijst oorspronkelijk naar het met de hand omgrijpen waardoor men dingen symbolisch in zijn greep krijgt. Een greep betekent zowel de behendigheid van het grijpen (een nieuwe judo-greep) als het gegrepene dat men in de hand kan houden (een greep rijst). Dat-gene wat men inhoudelijk binnen de hand kan omvatten wordt hierbij dus geas-sucieerd met de handeling waardoor men macht krijgt over dingen. In de taalont-wikkeling krijgt dit laatste stilaan de bovenhand. Vandaar dat men onbewust sinds een vijftal jaar vooral in Nederland en recentelijk ook in Vlaanderen de greep vervangt door een term die de technologische status van de Engelse taal mee heeft. Men zegt nu grip (macht, meesterschap) te hebben op de dingen. Voor een goed begrip dient men dus via bevattelijke tekens (semantiek) grip te krijgen op dingen en processen (pragmatiek).
Deze onderlinge samenhang tussen de tekens noemt men de syntaxis. De sym-bolische wereld is een netwerk van tekens waarin de realiteit gevangen wordt. Alle tekens zijn met elkaar verknoopt zodat men binnen dit systeem geen enkel teken kan veranderen zonder datdit invloed heeft op de betekenis van vele andere tekens. Hoe hechter en hoe ingewikkelder zo’n systeem aan mekaar hangt, hoe stroever het wordt en hoe weerstandiger tegen verandering. Met vele wijs-gerige systemen valt b.v. niet te onderhandelen: ze zijn te nemen of te laten. Hetzelfde kan gezegd worden van sommige edukatieve of psychoterapeutische systemen: ze zijn in zichzelf gesloten.
Wil een tekensysteem leven, dan dient het te kunnen fluctueren. En flukctuaties treden makkelijker op bij een syntaxis die eenvoudig is en bestaat in op zichzelf heldere en eenvoudige onderdelen. In vele wetenschappen maakt men grote vooruitgang door het invoeren van een stel vrij eenvoudige modulen (6). Hoe eenvoudiger een model, des te groter zijn bruikbaarheidswaarde. Gaat het hierbij dan ook nog om als module opgevatte roosters, dan zijn deze binnen het syntaktisch geheel makkelijk te vervangen door andere, betere modulen. Ook in de edukatie en de hulpverlening heeft men er baat bij om de komplekse menselijke realiteit drastisch te vereenvoudigen tot enkele centrale en hanteerbare facetten ervan. Men is niet gebaat met zeer gesofistikeerde meridianen en coördinaten als ze niet, zoals de vinnen van de vissen, organen zijn waarmee het water te doorzwemmen is.
De wetenschap gaat pas echt vooruit als de eenvoudige modellen onderling combineerbaar of vertaalbaar zijn. Men noemt dit de steekproef-manier: elk model is een steekproef en geeft een staal van de werkelijkheid. Waar de bevin-dingen van die stalen samengelegd en onderling kombineerbaar worden, daar pas wordt wereld 1 organismisch benaderd.
Modellenbouwers hechten ook belang aan de design zelf van het model. Zo kan ik me afvragen of de axenroos een welgevormd, logisch, harmonisch, estetisch en cognitief verantwoord, goed gearticuleerd rooster is, of m.a.w. het model op zichzelf als teken inhoudelijk goed is (content validity). Het welgevormde is een handige geheugensteun die de eenvoud of de ambachtelijke hanteerbaarheid ervan vergemakkelijkt.
Semant: teken-totaliteit
Bij alle moeite die wij ons getroosten om in de semantiek de relatie te onderzoeken tussen onze tekens, woorden, talen en modellen enerzijds (wereld 2) en de werkelijkheid van dingen en processen anderzijds (wereld 1), mogen wij niet over het hoofd zien dat de tekens en symbolen die wij scheppen een wereld op zich vormen, onze culturele of symbolische wereld. Men kan b.v. tekeningen van planten en kruiden verzamelen en zo het wezen van deze planten en kruiden be-studeren. Stel ik deze tekeningen ten toon, dan wordt deze verzameling een wereld op zich. Het is de wereld van de cultuur, door POPPER wereld 3 genoemd (20).
Ook al probeert een leraar zijn perceptie van de wereld (wereld 2) aan de leerlin-gen over te dragen, deze informatie wordt voor de leerlingen de externe realiteit (wereld 1) – een leraar die praat- en daarvan ontwerpen zij hun eigen beelden en perspektieven (hun wereld 2). Als leraar en leerlingen ongeveer tot een gelijk-gestemde, door beiden aanvaarde betekenis komen, dan ontstaat hier een nieuwe realiteit (wereld 3). POPPER ziet wereld 3 als in wezen het produkt van de menselijke geest”(20).
Wereld 3 heeft een geschiedenis. Het is de geschiedenis van onze ideeën; niet alleen de geschiedenis van de ontdekking van die ideeën, maar ook de geschie-denis van hoe wij deze ideeën hebben uitgevonden; hoe wij ze gekreëerd hebben; hoe ze op ons gereageerd hebben en hoe wij op deze produkten van onze eigen geest gereageerd hebben. (21).
De mens zoekt binnen zijn tekens een eenheid te vinden, een integrerend principe. Hij zoekt naar een gemeenschappelijke kultuur, een taal die alle talen onderschraagt, gebaren die door iedereen begrijpbaar zijn, symbolen voor vrede, gelijkwaardigheid, wederzijds respekt, trouw, gerechtigheid, zelfstandigheid, lichtheid, onderlinge bijstand, ernst, vernieuwing en begrenzing, afscheid, stilte, tijdeloosheid. Wereld 3 is de wereld bij uitstek, de wereld die de mensen in hun onderling komplot samen ontwerpen en herstellen, de opgang en ondergang van kulturen en beschavingen. Meer nog dan op de reële wereld 1, reageren wij op de tekens en symbolen die ons omringen, die ons dragen en sturen. Wij on-dergaan ze, wij veranderen ze, scheppen ze. De wereld 3 van de cultuur in al zijn vormen – de ekonomie, de politiek, oorlog en vrede, de sociale instituties van universiteit tot politiemacht, de kunsten en letteren, de scholing en ontscholing, de gezinsmyten, de relatiegewoonten – dit alles is de wereld waarin mensen wo-nen, het huis dat ze voor zichzelf hebben ontworpen en waartoe ze uit wereld 1 de materialen halen. Een fictie, een droom, een spel? Het wordt hoe dan ook door iedereen in volle ernst meegespeeld.
Vele culturen en beschavingen zijn enkel gericht op de eigen zelfactualizering, ze gebruiken de natuurlijke rijkdommen op, ze koloniseren de anderen. Minder in aantal zijn de culturen die hun wereld 3 ondergeschikt maken aan de natuur van wereld 1 waarin ze leven. Deze vervoegen zo organismisch mogelijk de realiteit, van welke aard deze ook zij: materieel, psychosomatisch, geestelijk, trans-persoonlijk, kosmisch. Zij zijn als cultuur geen doel op zich. Zij weten zich deel van een veel groter, tijdeloos geheel. Idealisten noemen dit de cultuur van de Nieuwe Tijd. Cynische realisten noemen het een utopie.
Wil de cultuur van de Nieuwe Tijd doorbreken, dan zullen de tekens en symbolen zich dienen af te stemmen op princiepen van hogere orde, op universele wetmatigheden en nieuw te scheppen verbanden. Zo zetten wij de gigantische strijd verder die doorheen de eeuwen is gestreden. De mensheid worstelt zich doorheen een onvoorstelbaar zware zoektocht om kontakt te krijgen met de ultieme realiteit van waaruit alles ontstaat en waaraan alles deelheeft.
Semantiek als methode
Veruit het grootste aantal der problemen, zo op wereldformaat als in de huis-kring, zijn een semantische aangelegenheid. De probleemstelling (M) gebeurt dus best in termen van betekenisverlening. Bij de probleemanalyze (E) merken we dat vaak niet het feitelijke gebeuren uit wereld 1 ons verontrust, maar wel de betekenis die daaruit op ons afkomt. Stel dat de partner geen zin heeft om op een heerlijke zondagnamiddag mee te gaan fietsen tot bij de grootouders. Op zich geen probleem. Wie heeft niet eens zin in tuinieren? Het probleem begint als men er in leest: mijn partner heeft nooit meer ergens zin in, of “k voel me verworpen, of mijn partner wil alleen maar de grootouders blameren.
Hoeveel oorlogen worden er niet gestreden omwille van tegengestelde ideeën, onverzoenlijk lijkende perspektieven, niet ingeloste verwachtingen? De etiketteringen, stigmatiseringen en verketteringen die daaruit volgen leiden tot een re-gelrechte machtstrijd. Door een benoeming van de realiteit als de enige ware op te leggen, wil men de anderen onder sociale controle krijgen. Er is geen intenser verzetdenkbaar dan een verzet tegen dit soort onmacht. Men geeft zijn leven om de betekenis ervan te laten overleven.
De enige toekomst (T) waarvoor men kan opteren (0) is een semantische verandering (5). Dit houdt in: respekt en erkenning voor andermans brillen, besef van de falsifieerbaarheid van de eigen modellen, prioriteit aan de pragmatiek, onaflaatbare afstemming op de realiteit, wisselwerking en communicatie omtrent symbolische werelden.
De nieuwe levensstijl die zo doende gerealizeerd kan worden (D) maakt werk van multidisciplinaire verstandhouding, van oekumenisch overleg, van internationa-le vrede. Daardoor ontstaat ook een semantisch geheel andere effect-evaluatie (E’): de mensheid vergenoegt zich niet meer met de handhaving van de eigen fik-ties van de zichzelf aktualizerende kulturen, maar zoekt haar bevrediging in een kontakt krijgen met de ultieme en universele realiteit van wereld 1 in heel zijn diepte en breedte en hoogte, geldend voor alle wezens en alle tijden.
- Alfred ADLER, Praxis und Theorie der lndividualpsychologie, München. Bergmann, 1920, p. 108,174.
- Donald CAMPBELL. zie LORENZ. pp. 19-20,
- Ferdinand CUVELIER, Persoon en Funktie, Tijdschrift voor Relatie-Ontwikkeling n° 29, {dec. 1986) (werkboek 034).
- Ferdinand CUVELIER. Taaldaden, Tijdschrift voor Relatie-Ontwikkeling n° 30, (maart 1987) (werkboek 111).
- René DIEKSTRA, Semantitherapie, in: Hans GELUK, Kognitieve psychotherapie, Gamma Publikaties, 1980, pp. 2.46-267
- John DUPRÊ, The latest on the best Essays on evolution and optimality, London, MIT Press, 1987. p. 27-59.
- S.I. HAYAKAWA, Symbool, status en persoonlijkheid, (uit het Engels). Amsterdam. Polak en Van Gen-nep. 1970, p. VIII.
- ib. p. 32.
- ib. p. 40.
- ib. p. 108.
- ib. p. 146.
- Alfred KORZYBSKI, Manhood of humanity, New York, Dutton. 1921 -, Science and Sanity. Lancaster, Lancaster Press, 1933.
- D.H. LAWRENCE, zie HAYAKAWA p. 59.
- Emmanuel LEVINAS, Het menselijk gelaat (uit het Frans), Bilthoven, Ambo, 1969.
- Konrad LORENZ, De weerzijde van de spiegel. Over de evolutie van de menselijke kennis, {uit het Duits 1973), Amsterdam, Ploegsma, 1975, p. 17.
- ib. p. 18.
- ib. p. 21.
- G.H. MEAD, zie Christine DUPONT, Kijken door de ogen van de ander, Tijdschrift voor Relatie-Ontwik-keling, n° 35, (juni 88). pp. 1-2, (werkboek 026).
- W. PANKOW, Openness as self-transcence, in: E. JANTSCH en C. WADDINGTON, Evolution and con-sciousness; human systems in transition, London. Addison-Wesley, 1976, pp. 16-36.
- Karl POPPER. Autobiografie. (uit het Engels). Utrecht, Spectrum, 1978, p. 223.
- ib. p. 230.
- Hans VAIHINGER, The phllosofy of “as if” (uit het Duits), New York, Harcourt, Brace and Co., 1925.
- A.N. WHITEHEAD, zie HAYAKAWA p. 109.
- Benjamin WHORF, zie HAYAKAWA p, 109.
