Relatiewijzen

§ 7 – Een topologie van coactiewijzen

Bij de uitwisseling hoort, naast de inzet waarom het te doen is, ook datgene wat men er mee doet, de wijze waarop de inzet verhandeld wordt. Benevens het “geven” en “aannemen” zijn er nog andere manieren om met de inzet om te gaan. Men kan er om vragen, hij kan geweigerd worden, hij kan opgedrongen worden, hij kan afgewezen worden, kan stuk gemaakt worden, kan breken, kan opgeborgen worden, en dies meer. Ook bij deze wijzen van omgaan met de inzet is het wenselijk om tot een eenvoudige en toch alomvattende ordening te komen met behulp van enkele duidelijk onderscheidende categorieën.

Een eerste belangrijke bijdrage daartoe vinden wij bij Richard LONGABAUGH, sociaal psycholoog, en zijn onderzoeksteam in de psychiatrische Butler kliniek (Rhode Island, USA). Hij articuleert de coacten als het Cartesiaans product van de twee vernoemde componenten, nl.

a) de inzet, datgene wat uitgewisseld wordt, datgene waarom het te doen is,

b) de modus, de wijze van interageren bij de uitwisseling, de bewegingen die daarbij gebeuren.

Niet alleen benoemt hij zes modi of interactiewijzen, hij wijst op de mogelijke opeenvolging van coacten, al heeft hij nog geen naam voor de interacties die zodoende gevormd worden. De zes modi worden geordend in de onderstaande coactieketens (22). Zij hebben als inzet: informatie, sturing, ondersteuning. Met “ondersteuning” bedoelt hij: waargenomen fysisch contact en uitingen van positieve affectie.

Figuur 1 – Configuratie van 6 modi volgens R. LONGABAUGH

Daarbij merkt LONGABAUGH op dat de modi uit de eerste en de tweede kolom zelf een start kunnen zijn, terwijl de modi die na een pijlpunt komen, reacties zijn op de vorige.

Laten we ten gronde de samenhang en structuur van deze modi onderzoeken. Twee categorieën die steeds terugkomen, en die de grondslag vormen van het concept van uitwisseling, zijn “geven”, en “aannemen”. “Wanneer het kind en zijn omgeving een rol op zich nemen – schrijft de psychodramaturg J.L. MORENO – dan bestaat deze rol uit twee functies : geven en ontvangen. Het voedingsproces bijvoorbeeld bevat twee rollen: voedsel geven en voedsel ontvangen.” (23)

GEVEN (G), AANBIEDEN

In het voorbeeld van voedsel “geven” en “ontvangen” wordt binnen de modi al meteen een tweeledige structuur blootgelegd: deze van een bezitter, of beheerder, en deze van een niet-bezitter, of niet-beheerder. De beheerder, beschikt onmiddellijk over de inzet, ook reeds voor dat er een transactie plaats heeft. Meestal heeft hij ook iets aan datgene wat hem toebedeeld is. Hij heeft er het genot van, en tevens het beschikkingsrecht.

Het materiële of immateriële goed waarover de beheerder beschikt kan aan een ander overgedragen worden, hetzij tijdelijk uitgeleend of definitief uit de hand gegeven. Het aanbieden of geven kan plaats vinden in ruil voor iets anders, de inzet kan verkocht worden in ruil voor geld, de inzet kan op eigen initiatief van de bezitter aangeboden worden, of op initiatief van een ander en als antwoord op diens vragen gegeven worden. Hij die over de inzet beschikt, beheert dat goed door het ofweI te geven ofwel voor zich te houden. Geven veronderstelt dat men vrij is om te geven, anders moeten we spreken van afgeperst worden, bestolen worden, ontfutseld worden.

AANNEMEN, NEMEN (N)

Het bezit van de gever kan pas, gedeeltelijk of in zijn totaliteit gegeven worden als iemand het wil aannemen, als er een gegadigde is die behoefte heeft aan het goed, of die het goed wil toevoegen aan datgene wat hij reeds bezit, of die verleid kan worden om de inzet in ontvangst te nemen waar hij eigenlijk niet om vroeg. Neemt de niet-bezitter zelf het initiatief om iets in ontvangst te kunnen nemen, dan vraagt hij er om. Wordt op deze vraag ingegaan, dan krijgt hij van de gever waar hij om vroeg. Daar zowel de coacten van vragen als aannemen als krijgen een transactieve beweging zijn waarbij de inzet naar een niet-bezitter toekomt, kunnen deze coacten opgenomen worden binnen eenzelfde taxon, waarbij de beweging van beheerder naar niet-beheerder het criterium is.

Door het goed.over te nemen uit de hand van de gever, verwerft de ontvanger ook de beschikking erover. Dit kan hem genoegen doen, zodat hij het goed aanvaardt en graag tot zich neemt, er zich aan verrijkt. Maar het kan ook een opdracht zijn of iets dat moeite kost. Degene die iets aanneemt blijft vrij in het aannemen. Hij is nu immers volop eigenaar en beheerder van het goed, al is dat pas zo door vermiddeling van de transactie. Is hij niet vrij in het aannemen, dan moeten we spreken over iets dat opgedrongen wordt, iets dat in je schoenen geschoven wordt, iets dat je op je schoot geworpen krijgt. Behoudt de ontvanger zijn vrijheid, dan kan deze het goed ook niet aannemen, het afwijzen of meteen teruggeven.

WEERSTAAN (W)

De transactie gaat door wanneer het aanbieden en aannemen, of het vragen en geven op elkaar inspelen. Maar de transactie kan ook niet doorgaan. Dat leidt tot twee blokkeringswijzen.

Het aangeboden goed kan op weerstand stuiten. Wanneer de potentiële aannemer het aanbod afwijst, dan weerstaat hij de bedoeling van de gever. Hij verzet zich tegen de transactie, hetzij omdat de inzet hem niet aanstaat, hetzij omdat hij niets wil aannemen van die bepaalde persoon. Dankzij onze mogelijkheid om neen te zeggen tegen het aanbieden, ontsnappen we aan het overspoeld worden door allerlei goed dat ons eerder bedrukt dan verrijkt.

HOUDEN (H)

Daar de beheerder van een goed vrij over dat goed beschikt, kan hij het wel of niet bij een transactie inzetten. Hij kan het ter beschikking stellen, het aanbieden. Hij kan het ook bij zich houden, omdat hij er zelf wil van genieten, of omdat hij het wil opsparen, of omdat hij het gewoon ter zijner beschikking wil houden.

Wordt er om gevraagd, dan kan de bezitter weigeren om dat goed weg te geven. De potentiële gever is terughoudend. Hij houdt het goed bij zich, hetzij omdat hij van het goed houdt, hetzij omdat hij het niet wil geven aan die bepaalde persoon. Dankzij de mogelijkheid die we hebben om neen te zeggen op een vraag, ontsnappen we aan het uitgebuit, uitgezogen, uitgemolken worden.

De combinatie van deze twee tweedelingen levert een vier-velden-diagram op, dat kan geconcipieerd worden als een topologisch krachtenveld met vier coactiewijzen of modi.

Figuur 2 – Een topologische structuur van 4 modi, met de distributie van 5100 coacten in een Iandelijke populatie

Een eerste illustratie van de spreiding van 5100 door ons genoteerde coacten (2) brengt naar voren dat 2/3 van de coacten te maken hebben met transacties, en dat 1/3 van de coacten het niet doorgaan van een transactie weergeven. Opvallend is ook dat de helft van de genoteerde coacten voorkomt in de modus van het aanbieden.

AANVECHTEN (A)

Bij nader toezien naar wat zich tussen mensen voordoet, doken twee modi op die niet buiten beschouwing mochten gelaten worden. Een eerste modus had met agressie te maken: dingen stuk maken, iemand kleineren, bekritiseren, vechten. Ook informatie kan aangevochten worden, aangeboden goederen kunnen kritisch onderzocht worden, persoonlijke getuigenissen kunnen op hun waarachtigheid getoetst worden.

Agressie is een aanvalsbeweging om de degelijkheid van iemands goed aan te vechten. In die zin is het aanvechten constructief en noodzakelijk om tijdig fouten of gebreken te ontdekken, en om zodoende erger te voorkomen. De instrumenten die daarvoor gebruikt worden zijn wapens of technieken waarmee men zich wapent. Als hetgeen aangevochten wordt onvoldoende weerstand biedt of de toets niet doorstaat, dan wordt het ingepalmd, of opzij geschoven of vernietigd.

LOSSEN (L)

Een tweede nog ontbrekende modus had met onmacht te maken, met twijfel, vermoeidheid, ambivalentie, niet weten te kiezen tussen aannemen of afwijzen. Deze modus kan geconcipieerd worden als een goed dat men tussen de vingers laat ontglippen, waar men geen greep op krijgt, of waar men de greep van moet lossen, waardoor men overspoeld of verslagen wordt.

Lossen is ook een zich neerleggen bij het onoverkomelijke, zoals ieder van ons zich ‘s avonds neerlegt in bed wegens de onoverkomelijke vermoeidheid. De spanningsveer lossen is een voorwaarde om onze opgebruikte energie terug op te laden. Worden wij aangevochten, of worden wij door goederen overspoeld, dan kunnen wij niet altijd ja (N) of neen (W) zeggen. Wij nemen dan eerst de tijd om de zaak te laten bezinken, als zaad in een humusgrond.

Met inachtname van deze zes interactiemodi kunnen we een topologische structuur construeren waarbij, naast de tweegeleding van beheerder en niet-beheerder, een driegeleding het veld verdeelt in drie regio’s, nl.

(a) de regio met de modi van geven en aannemen, waar men kan stellen dat de personen zich SAMEN betrokken voelen in een harmonische, complementaire interactie,

(b) de regio met de modi van aanvechten en weerstaan, van offensieve en defensieve coacten, waarbij de betrokkenen TEGEN elkaar interageren, en

(c) de regio waar de betrokkenen de interactie afremmen doordat zij UITEEN gaan, zich van elkaar verwijderend, naast elkaar grijpend, loskomend van elkaar.

Deze drie regio’s komen overeen met de interpersoonlijke basisbewegingen die door K. HORNEY beschreven worden als : moving towards, moving against, moving away (20). Het moet ook gezegd dat men deze modi best kan concipiëren als de bewegingen die men met de inzet uitvoert.

Figuur 3 – Zesdelig veld van modi

De horizontale lijn is een grenslijn die het gebied van de inzet-beheerders onderscheidt van het gebied van de niet-beheerders. De beheerders hebben een grotere beweeglijkheid. Zij hebben een en ander in hun mars en bieden hun goederen aan (G) bij de poort van de vesting der niet-bezitters. Deze kunnen de poort openen en de marskramers binnen laten (N). Zij kunnen ook de loopbrug optrekken (W), weerstaan aan de verkooptechnieken (W) of er zich laten door overrompelen (L). Stuiten de marskramers op weerstand, dan kunnen ze zich ontpoppen als een legertje dat ten aanval trekt (A), of ze houden het goed voor zich en vertrekken naar andere contreien (H). De grenslijn is de contactzone waar overheen de interacties vorm nemen (zie § 11).

Wat nu met de combinatie van de inzet (§ 6) en de modus? Zetten we de modi uit op een x-as, en de inzetten op een y-as, dan krijgen we een tweedimensionaal veld met 6 x 6 = 36 coactcategorieën. (zie het inlegblad). Dit aantal volstaat ruim om een toch vrij gedetailleerde observatiestudie uit te voeren.

Elk taxon van deze taxonomie wordt getaxeerd door een dubbele, concreet observeerbare gedragscomponent: enerzijds de modus, herkenbaar aan de beweging, anderzijds de inzet, herkenbaar als datgene waaromtrent het in de beweging te doen is. De door de waarnemer te maken interpretatie wordt tot een minimum herleid. Dit bevordert de objectiviteit van de waarnemers; hun taxatie is betrouwbaar, wat wil zeggen dat zij, onafhankelijk van elkaar, eenzelfde gedraging in hetzelfde taxon klasseren.

§ 8 – Overzicht van 36 coacten, getaxeerd naar modus en inzet

De zes modi in combinatie met de zes inzetten leiden tot het taxeren van 36 coacten. Mits enige oefening valt daar goed mee te werken.

De praktijk heeft ons geleerd dat een reductie van 36 naar 10 coactiewijzen handiger is, terwijl er toch voldoende interactievariaties vastgesteld kunnen worden. De coacten van geven en nemen komen het meest frequent voor en worden door hun inzet in belangrijke mate van elkaar onderscheiden. Daarom vinden wij het noodzakelijk om zowel het geven (G) als het nemen (N) op zijn minst naar drie hoofdgroepen van de inzet op te delen. De gebruiker van dit coactenrooster (de axenroos) is zelf vrij om te kiezen met welke fijnmazigheid hij wil werken. Hij kan naar believen elke inzet verder onderverdelen.

We nummeren de taxa van 1 t/m 10. Daarvan wordt 1 t/m 6 gebruikt voor SAMEN, 7 en 8 voor TEGEN, 9 en 10 voor UITEEN. De oneven nummers horen tot de beheerders van de inzet, de even nummers tot de niet-beheerders.

Figuur 4 – Het coactenveld met tien coactiewijzen

Nota: Wil men, wanneer nodig, afkortingen gebruiken voor het noteren van de coacten, dan kan men de beginletter van de coactiewijze nemen, gevolgd door de beginletter van de inzet. Voorbeeld: Geven van Aanwezigheid = GA.

Tabel 3 – Overzicht van de 36 coacten, getaxeerd naar inzet x modus (met tussen haakjes de verziekelijkte vorm, zie § 11)

Vergelijken we deze taxonomie met de “action modes” van Roger BARKER (24), die ze afleidde van de “behoeften” van H.A. MURRAY (25), dan zijn de gelijkenissen opvallend, althans wat de grote lijnen betreft. Bij deze vergelijking moge het voordeel duidelijk worden van de combinatie van inzet x modus, zowel voor het interpreteren van het waargenomen gedrag, als voor het operationeel definiëren van de taxa.

Tabel 4 – Vergelijking van de coacten met de “action modes” van BARKER

Geef een reactie