Ontwikkeling van een concept

HOOFDSTUK 1 : HISTORIEK VAN EEN CONCEPT

Ieder vormt zich een beeld van hoe mensen omgaan met elkaar. Ook ik heb mij een denkbeeld gevormd over het tussenmenselijk verkeer, op grond van vijfendertig jaar sociaal-psychologisch werk en systematisch onderzoek.

Zo’n denkbeeld of concept is een constructie van onze menselijke geest. Het is als een rooster dat over de werkelijkheid wordt gelegd om deze voor onze geest toegankelijk te maken. Men kan het vergelijken met een landkaart die het ons bewustzijn mogelijk maakt zich te realiseren waar wij ons bevinden en langs welke wegen wij ons naar een bepaalde plaats kunnen begeven. De kaart maakt ons wegwijs. Hoe zorgvuldiger de kaart geconcipieerd en uitgetekend is, des te juister wijst ze ons de weg naar onze bestemming. De kaart is dan praktisch om te gebruiken en ze is te betrouwen.

De kaart is uiteraard niet het landschap zelf (1). Zo is ook de landkaart die ik van de menselijke relatiewijzen geconcipieerd heb, niet te verwarren met de feitelijke tussenmenselijke omgang, die op velerlei wijzen in kaart kan worden gebracht. De landkaart moet het mogelijk maken om zicht te krijgen op de anders te grote complexiteit van het gegeven, om de waargenomen fenomenen te kunnen benoemen, om ze te kunnen kaderen binnen hun onderlinge samenhang, en om, uiteindelijk, de werkelijkheid hanteerbaar te maken. Of de wijze waarop de tussenmenselijke gedragingen in kaart worden gebracht, aan deze criteria voldoet zal uit de praktijk moeten blijken.

§ 1 – Een observatie van tussenmenselijke gedragingen

Het concept van de interactiewijzen kwam niet uit de lucht gevallen. Het kende een moeizame zwangerschap, en na zijn conceptie werd het uitgebreid en bijgeschaafd, verduidelijkt en genuanceerd, tenslotte vereenvoudigd en gebruiksvriendelijk gemaakt.

Alles begon te Geel, een gemeente in de Antwerpse Kempen waar sinds mensenheugenis psychiatrische patiënten verblijven in gewone gezinnen. Deze wereldvermaarde gezinsverpleging stelde de psychiatrie voor de intrigerende vraag of deze vorm van opvang en begeleiding effecten had die beter zouden zijn, of althans anders zouden zijn dan deze verkregen in de psychiatrische klinieken. De Columbia University (USA) en de Leuvense Universiteit Ianceerden gezamenlijk het “Geel Foster Family Care Research Project” o.l.v. Prof. Leo SROLE om op deze vraag een wetenschappelijk antwoord te vinden. Binnen dit ruim opgevat onderzoeksproject (2) werd mij de opdracht toegewezen om via participerende observatie te achterhalen hoe de “kostgevers” omgingen met hun “kostgast”, de patiént, en vice versa.

Tijdens de drie jaar durende observatie van 32 pleeggezinnen werden talloze gedragingen waargenomen en opgetekend, en talloze gesprekken op band opgenomen. Een eerste opgave bestond er in om af te bakenen wat men als gedragseenheid kan nemen in bijvoorbeeld de volgende passus:

Een oud Russisch vrouwtje vertelt mij : Toen ik twaalf jaar was verloor ik mijn papa. Ik vond een vreemdeling, een goddelijke man… Hij heeft mijn hand genomen en hij wees mij de driehoek: hier het karakter, daar de kinderen, en (wijzend in haar handpalm) hier dit en daar dat. En dan, weet je, de psychologie (zij kijkt veelbetekenend, met het hoofd wat schuiner)…en ik verstond de mensen die bij mij kwamen op de kermissen en zo. En je praat met de mensen en door wat ze zeggen begrijp je hen, nietwaar. Je moet een beetje psycholoog zijn. Zij haalt een sigarettenpakje uit de zak van haar voorschoot en biedt me een sigaret aan, die ik afwijs. Zij vertelt verder: Jaja, je moet een beetje psycholoog zijn voor de mensen, om hun moraal te sterken, dat is waar. Ik heb in vele landen de kaarten gelegd en magie vertoond. Ik was vrij maar ik moest wel belastingen betalen. De kostgeefster roept vanuit de keuken of zij de aardappelen kan komen schillen. Het vrouwtje trekt, met de glimlach, haar schouders op, staat op tot mij zeggend: “Ik kom zo terug… met de patatten.”

Deze passus bevat, bij nader toezien, een twintigtal relationele gedragingen, weergegeven in vet. Door deze werkwoorden hier aan te duiden besluiten wij dat deze de eenheden zullen worden van ons onderzoek. Zij worden geïdentificeerd als de meest elementaire bouwstenen van de tussenmenselijke omgang. Ik noem ze co-acten.

Een co-act is een gedraging waardoor een mens effectief iets doet ten overstaan van een andere mens (jegens, aan, voor, met, tegen hem). Het is een act, een feitelijke daad, die openlijk in verband staat met een andere persoon, en dus pas tot stand kan komen door de gerichtheid op het contact met een ander. De gedraging van de ene bedoelt stimulus te zijn voor het gedrag van de ander. De ene kan niet zonder de andere. Men kan geen hand geven als er niet iemand is die, althans in principe, de hand zou kunnen aannemen. Een relationele act is dus altijd een connectie, een duet waar twee personen op elkaar inspelen. Het voorvoegsel co- wijst op de onderlinge samenhang van de act van de ene met de act van de andere. Het is, in de brede zin van het woord, een coöperatie.

Waar de term co-act de specifieke, afzonderlijke gedraging enigszins statisch en afstandelijk beschrijft, daar zal de term co-actie wijzen op het werkzame karakter van de coact of van meerdere coacten die dezelfde richting uitgaan. De coactie wordt spraakkundig weergegeven door het werkwoord. De term benadrukt dat de coact volop in actie is, dat ze beïnvloedt, zonder dat daarbij gedacht moet worden aan een gewelddadige beïnvloeding (hoewel het taalgebruik de term eerder in die richting duwt; cfr van Dale: coactie = gewelddadige dwang).

In de gegeven passus noteer ik dat de relatie van het Russisch vrouwtje naar mij toe opgebouwd is door vijf coacten, hier in vet weergegeven: nl. haar verhaal vertellen, in haar handpalm wijzen, naar mij opkijken, mij een sigaret aanbieden, en beloven om terug te komen. Daaraan geconnecteerd zijn er van mijn kant de volgende coacten te noteren: luisteren (wordt niet in het verslag geschreven maar is uit de context op te maken), en de sigaret afwijzen. De coactie van het vrouwtje kan beschreven worden als gevend, toeschietelijk en mededeelzaam.

Stel dat de coacten ondergebracht kunnen worden in een overzichtelijke taxonomie met bijvoorbeeld een dertigtal categorieën. Dan kan er een statische beschrijving gegeven worden van de coactiepatronen van de betrokkenen. Zo kon bijvoorbeeld in de gezinsverpieging te Geei als significant gegeven vastgesteld worden dat de coactie van de mannelijke kostgast naar de kostgever hulpvaardig en waarderend is (p<.01) terwijl de coactie van de vrouwelijke kostgast naar de kostgeefster op significante wijze én meegaand-onderdanig én tegenafhankelijk, dus ambivalent of wisselend is (p<0.1).

De coact van de ene wordt gevolgd door de coact van de andere, en deze wordt wederom opgevolgd door de coact van de eerste, enzovoort. Deze dynamische wisselwerking kan beschreven worden door de combinaties of de opeenvolging aan te geven van de coacten van de ene (de protagonist) met de coacten van de ander (de antagonist).

Een interact definiëren we als de wisselwerking van twee op elkaar inhakende coacten, of m.a.w. de koppeling van twee coacten waardoor twee mensen op elkaar reageren. Voor zover men de coacten mekaar ziet opvolgen in de tijd, kan men spreken van een eerste coact (een primact) die gevolgd wordt door een tweede coact (een react), wel beseffend dat de react van de antagonist op zijn beurt een primact is waarop de protagonist met een react reageert. Onder interactie verstaan we het patroon van twee wederzijds op elkaar inhakende coacties.

Walter, een jonge kostgast van 18 jaar komt binnen in de keuken en vraagt aan Martine, de kostgeefster of hij 20 frank kan krijgen.

– Martine: “Neen, dat krijgt ge niet.” (= weigeren)
– Walter, ingehouden en dreigend: “lk moét sigaretten kopen!” (= eisen)
– Walter slaat met zijn vuist op tafel: “Ik MOET sigaretten kopen!!!” (= eisen)
– Martine: “Walter, ge hebt zoveel geld gehad vorige week.” (=doen herinneren)
“Ge moet uw gedachten bijhouden.” (= advies geven)
 “Dat krijgt ge niet.” (= weigeren)
– Walter: “Ik zal het tegen mijn moeder zeggen.” (= dreigen)
– Martine: “Neen, Walter, IK zal dat zeggen.” (= dreigen)
– Walter: “Daar zult gij de kans niet toe hebben.” (= zich verdedigen)
– Martine: “Walter, ge moet u gedragen gelijk een grote jongen.” (= adviseren)  
“Waar trekt dat nu toch op van zo bazig te zijn!” (= mild kritiek leveren)

Walter zwijgt en gaat naar buiten.

De interactie is duidelijk. Walter wil iets verkrijgen en eist, hetgeen bij Martine een weigering ontlokt, hetgeen bij Walter agressie oproept, hetgeen bij Martine eveneens agressie mobiliseert, hetgeen Walter in de verdediging drukt, hetgeen Martines agressie mildert tot het geven van advies, hetgeen Walter tot rust brengt. In deze aaneenschakeling van coacten kunnen we verschillende interacties waarnemen: weigering om op eisen in te gaan, counteren van een poging tot dominantie, krachtmeting bij het dreigen, deëscalatie van het conflict…

Met het identificeren van coacten en interacten kan een antropoloog, een sociaal-psycholoog, een systeemtherapeut een nauwgezette observatie en een wetenschappelijke analyse maken van tussenmenselijk, interactief gedrag.

§ 2 – Een interactiematrix voor training, bijscholing en opleiding

De honderden of duizenden coacten die bij een ietwat uitgebreid onderzoek genoteerd worden, moeten ondergebracht kunnen worden in een classificeringssysteem met een overzichtelijk aantal categorieën of taxa. Ons onderzoek te Geel leidde niet alleen tot de constructie van een nominale taxonomie van 36 taxa, maar ook tot een coacten-matrix van een bepaalde vorm waarbinnen ook de interacties tussen de coacten in kaart gebracht konden worden, hetgeen aan de taxonomie een toegevoegde constructiewaarde geeft.

Toen ik, in het kader van de volwasseneneducatie, o.m. voor het Vervolmakingscentrum voor Ouders en Opvoeders (VO2), lezingen gaf over de tussenmenselijke relaties, merkte ik dat de toelichting van de interactiematrix de cursisten erg confronteerde met zichzelf. Bij het ervaringsgericht en reflexief leren, waartoe uitgenodigd werd, rezen de vragen als torens uit de grond. Welke coacten wend ik aan? Welke gebruik ik niet, of zelden? Welke wil ik mij toe-eigenen? Klopt mijn zelfbeeld daaromtrent met het beeld dat anderen hebben over mijn relationeel gedrag? Ontlokken mijn primacten bij mijn partner andere reacten dan welke ik verhoopt had? Welke zijn mijn coactiepatronen bij stress, bij ontspanning, in mijn thuissituatie, in mijn werkomgeving, t.o.v. mijn kinderen of mijn ouders? De vragen waren legio. De exploratie verrassend. De leerprocessen uitermate vruchtbaar.

Wat ontworpen was als een matrix voor de systematische classificatie van coacten, ontpopte zich tot een instrument van reflectie over het eigen interactief functioneren. Vooral ook net gebruik daarbij van actieve methodes zoals de ruimtelijke symbolisering, roltrainingen en interactiedrama verhevigde de intensiteit van de leerprocessen. Wanneer de interactiematrix op de grond werd uitgetekend en de cursisten moesten gaan staan op het taxon dat ze in praktijk brachten, werd de confrontatie met de anderen en met zichzelf tot een soms hilarisch, soms dramatisch, maar steeds tot een leerzaam schouwtoneel gebracht.

Bij dergelijke trainingen kwam uiteraard ook het begrip van de mogelijkheid-tot aan de orde, de potentiële kracht tot het activeren van bepaalde coacten. Gemakkelijkheidshalve gebruikte ik daartoe het Latijnse suffix “-ax” dat wijst op de mogelijkheid om het werkwoord te activeren waaraan het als achtervoegsel gehecht wordt. Cfr. het woord “capax” dat aangeeft dat men tot het omvatten (capere) bekwaam is. Met een woordspeling kon ook de ontwikkelingsgang geschetst worden als een proces van ax tot actie (axie), en van actie tot interactie.(3)

Naar analogie met de door GREIMAS ontwikkelde terminologie van de actanten (4), kan de “potentiële mogelijkheid” tot het activeren van een coact beter “coactant” genoemd worden dan “ax”. Zo zal (zie §16-18) het potentiële vermogen tot het activeren van een interact, “interactant” genoemd worden.

 In een groep van jonge koppels die zich op het samenwonen voorbereiden ontstaat er een  discussie tussen Carl en Gwendolien:                                                                                  – Zij (met luide stem): “Jij denkt altijd maar aan jezelf, je werk, je voetbal, je vrienden.”          – Hij (defensief): “Hou toch op met altijd dezelfde kritiek.”                                                        – Zij (heftig): “Kritiek? Wat, kritiek?! Dat is geen kritiek. Het is een advies!!!”

 Ik symboliseer ruimtelijk een plek, een stoel, een kruk voor de coactant die wij “kritiek”  noemen, en een andere plek voor de coactant die wij “advies” noemen. Zowel Gwendolien  als Carl worden uitgenodigd om te gaan staan of zitten op deze twee coactanten of axen,  om van de op die plekken opgedane ervaring het belangrijke verschil bewust te worden  tussen een coactant van “kritiseren” en een coactant van “adviseren”…

De interactiematrix vergemakkelijkt, verduidelijkt en verfijnt de wijze van omgaan met elkaar wanneer men ze aanwendt als werktuig tot bewustwording. Zij biedt een goede ondersteuning van het reflexieve Ieren. Het gebruik van dit werktuig biedt perspectieven en opent mogelijkheden waarvan men zich anders niet bewust is. Althans, zo getuigen pedagogen, docenten, relatietherapeuten, opleiders en stagebegeleiders die de interactiematrix in hun mars hebben.

§ 3 – De sociale vaardigheden in het onderwijs

Nadat wij (= ik samen met enkele enthousiaste medewerkers) de interactie-trainingen op punt hadden gezet en het instrument hadden bijgeschaafd ten behoeve van de volwasseneneducatie, raakten middens van de onderwijswereld geïnteresseerd in onze benadering van de tussenmenselijke relatiewijzen. Bij het formuleren van de eindtermen die de Minister van Onderwijs oplegt aan de lagere en de middelbare scholen, liet de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, die de eindtermen moest formuleren, zich onder meer inspireren door onze benadering van de “sociale vaardigheden” die als vakoverschrijdend leerproces behartigd moeten worden.

In haar meest vereenvoudigde vorm wordt de interactiematrix, onder de naam van “axenroos”, voorgesteld aan kleuters. De naam “roos” verwijst naar de zeslobbige bloem, symbool voor zes basis-relatiewijzen. Ten behoeve van de kleinsten wordt elke ax, of coactant, geassocieerd met een totemdier, bijvoorbeeld met de pauw voor het “zich laten zien” , met de leeuw voor het “leiden” en met de havik voor het “aanvallen”. Allerlei spelen, verhalen, kringgesprekken en andere didactische vormgevingen maken de kleuters vertrouwd met het waarnemen, benoemen en “spelen” van wat de totemdieren voorstellen. (5)

Vorm, taal en diepgang aanpassend aan het niveau van de eerste, tweede, derde graad van de basisschool, blijft de axenroos het achtergrondsstramien waarop telkens verder geborduurd kan worden. Deze leerlijn van “sociale vaardigheden” kan verder doorgetrokken worden tot aan de derde graad van de middelbare school. En jaren later kan er bij de volwasseneneducatie of bij de beroepsopleiding aan herinnerd worden en verder op doorgewerkt worden.

Om integraal de sociale vaardigheden onder de knie te krijgen moet het werken met de axenroos aangevuld worden met nog andere instrumenten, zoals de “bejegening” (6), de organismische systeemleer en aanverwante interactieve en sociale concepten.

§ 4 – Een zeer breed toepassingsgebied

Wat oorspronkelijk ontworpen was om geobserveerde coacten te classificeren, werd omgevormd tot een agogisch, pedagogisch en didactisch instrument, een bril waardoor men een scherper zicht krijgt op de menselijke relatiewijzen en hun structurele onderlinge samenhang.

Zo ontstond een concept van de structuur van de menselijke interactie en van de wijze om daar mee om te gaan, op concrete, pragmatisch hanteerbare en bewustzijnsverruimende wijze.

Juist omdat connecties, verbindingen, wisselwerkingen en interacties behoren tot het wezen der dingen, is dit concept toepasbaar op vele gebieden, zowel op natuurlijke processen als op maatschappelijke en tussenmenselijke dynamieken (7). Verder in dit boek zal op een aantal toepassingsgebieden worden ingegaan.

Gezien de draagwijdte van het concept doen wij er goed aan om strenge criteria aan te leggen m.b.t. de semiotiek, zijnde de betekenis die coacten krijgen door de constructie van het concept. Onze kritische aandacht zal zich richten naar:

(a) de semantiek, onderzoekende de relatie tussen het concept en de werkelijkheid waar het concept naar verwijst (hoofdstukken 1 t/m 5),

(b) de syntactiek, onderzoekende de innerlijke samenhang en structuur van het concept, alsmede zijn connecties met andere domeinen (hoofdstukken 6 t/m 8),

(c) de pragmatiek, onderzoekende de toepasselijke bruikbaarheid van het concept (hoofdstukken 9 t/m 12).

Enkel diegene die proefondervindelijk de gebruikswaarde van het concept heeft leren kennen, zal het zich echt eigen maken.

Geef een antwoord