Afzondering en Geslotenheid

In tegenstelling tot de interactiemodellen van Th. LEARY e.a. wordt in de “axenroos” een expliciete plaats ingeruimd voor het zich onthouden, het zich terugtrekken uit de relatie, de afzijdigheid, de afzondering. Bij een gesprek op de achtergrond blijven, zich op zijn kamer terugtrekken, afscheid nemen, zich op de vlakte houden door te zwijgen, het zijn allemaal wel degelijk relationele gebeurens of “axen”. De ax die kortweg “houden” wordt genoemd, kan zoals alle axen op constructieve of op destructieve wijze gehanteerd worden.

“Het vermogen om alleen te zijn” – titel van een van de belangrijkste teksten van Donald WINNICOTT (1) – bereikt men als kind door het kunnen opdoen van de ervaring van afgescheiden te zijn zonder dat men het relationele contact verliest.

Het kind kan in de tegenwoordigheid van de moeder of vader alleen zijn en alleen spelen. Daardoor ontstaat wat WINNICOTT ik-verbondenheid noemt (ego-relatedness): een eenzaamheid die niets van doen heeft met wat “teruggetrokkenheid” of “geïsoleerdheid” heet. Zonder dit vermogen om alleen te zijn klampt men zich voor alles en nog wat vast aan anderen. Waardoor allerlei tussenmenselijke ongemakken ontstaan. Zonder ik-verbondenheid legt men druk op anderen, men zuigt ze uit, men versmacht ze, men manipuleert ze, men hangt er zijn eigen verantwoordelijkheid aan op vanuit een gemis aan eigen vrijheid en autonomie.

Daarom is het goed zich af en toe te kunnen afzonderen, om in stilte in confrontatie met zichzelf te treden, en om er de eigen problemen met zichzelf uit te vechten. Om zijn eigen batterij te kunnen opladen is “retraite” nodig. Men trekt zich terug uit de vele soms tegenstrijdige beïnvloedingen om rustig op zijn eentie het kaf van het koren te scheiden en zijn eigen broodje te bakken. Ook binnen de meest intieme relatie is rust en afzondering nodig. Het is de long waardoor de relatie ademt.

De afzondering die gerespecteerd wordt is ook de garantie van de persoonlijke privacy. leder heeft het recht op een eigen, persoonlijke privé-ruimte. Na de slopende dagtaak wil moeder in haar zetel kunnen uitblazen. Vader komt tot ontspanning bij het ontwikkelen van foto’s in zijn donkere kamer. De oudste zoon wil niet dat iemand rondhangt in zijn deel van de garage waar hij zijn brommer onderhoudt. De oudste zus verklaart aan ieder die het horen wil dat haar kamer voortaan voor iedereen “verboden terrein” is geworden.

In de privé-ruimte en tijdens de privé-tijd kan de persoonlijke creativiteit weer een kans krijgen. Wie wil nadenken, schrijven, tekenen, componeren zoekt zijn eigen cadans, en die laat men niet graag door anderen doorkruisen. Anders mist men misschien dat geïnspireerde moment, die vluchtige vonk, het loskomen van de innerlijke stroming.

De meeste partners zullen er geen moeite mee hebben als de andere partij de stilte opzoekt om uit te rusten of om zich te concentreren. Het wordt pas moeilijk als de andere partij blijft zwijgen, zich afsluit, zich zelden uit. Hoe meer men daar aan sleurt en trekt, des te angstiger wordt de zwijgende partij. Men beseft dat de zwijgende partij misschien weinig ik-verbondenheid heeft. Zij heeft geen zelfinzicht, geen overzicht, geen voeling met de eigen stroom, geen bewust besef van eigen gevoelens, geen creatieve ideeën. “Wat zou ik zeggen? lk wéét niet wat te zeggen. Wat zit ge toch altijd maar te vragen?! Laat me toch. Gij hebt cursussen gevolgd, ik niet. Ik weet niet wat er allemaal in mij omgaat. Ik heb mijn handen vol met andere zorgen”. De zwijgende partij is ook gesloten voor zichzelf. Altans, zo kan het voor sommigen zijn.

Wie zijn eigen problemen niet goed op een rijtje krijgt, mist zelfzekerheid en zelfvertrouwen. Vandaar wantrouwt hij de anderen die hij als zelfzekerder en sterker ervaart. Hij voelt er zich door overweldigd. Hij zwijgt uit angst. “Wat gaan de anderen doen met wat ik zeg? Ga ik niet nog meer tegenwind krijgen? Gaan ze me niet pakken op mijn woorden? Als ik een pink geef willen ze dadelijk mijn hele arm. Zullen ze wel geloven wat ik zeg? Gaan ze me niet belachelijk vinden? Gaan ze me niet nog meer op de rooster leggen?” De zwijgende en teruggetrokken partij vreest soms de reactie van de anderen en verschanst zich daarom achter een masker van stilte. Dit wordt door de sprekenden dan als hautain ervaren, hetgeen dan hun kritiek ontkurkt. Tegen dit spuien heeft de zwijgende geen wederwoord tenzij de vlucht.

“Spreken is zilver, zwijgen is goud“. Zoals zovele spreuken is ook dit gezegde zo algemeen verspreid omdat het door alle partijen gebruikt kan worden. Zwijgen is inderdaad goed waar men nog geen antwoord heeft, waar nog eerst rust en stilte nodig zijn om de zaken op een rijtje te krijgen. De spreuk verontschuldigt ook de spreek-angstigen die onder dit bladgoud een krakkemikkele ondergrond verbergen met tekort aan ik-verbondenheid. Voor hen wordt het spreken nochtans een allernoodzakelijke oefenschool om al doende te leren dat angst voor communicatie vaak ongegrond is.

Tenslotte kan het inhouden van de boodschap ook het onuitsprekelijke ervan symboliseren. De natuur zwijgt. God zwijgt. Wat kan een mens zeggen over zijn Godservaring? Wie door groot verdriet of door ongelooflijke blijdschap wordt overspoeld, heeft geen woorden meer. Elk woord zou iets afdoen van de intense ervaring. Hier wordt het zwijgen een niet-verbaal spreken over het onuitsprekelijke en het onnoembare.

(1) Donald WlNNICOTT, The capacity to be alone, in: The maturational process and the facilitating environment, London, Hogarth Press, 1965, pp. 30-31, 129.

Geef een reactie